Van onze advocaat aandeelhouder. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 25 oktober 2017 uitspraak gedaan over wanbeleid in een onderneming over de verstoorde relatie tussen bestuur en aandeelhouders. Impasse. Is de vennootschap onbestuurbaar geworden?

A heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Huisartsenpraktijk D en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft A het volgende naar voren gebracht.

Tussen de beide bestuurders en aandeelhouders zijn er diepgaande conflicten waarbij geen uitzicht bestaat op herstel van normale verhoudingen. Door de impasse is de vennootschap onbestuurbaar geworden en wordt de continuïteit van de vennootschap acuut bedreigd. Er is sprake van:

Aanzienlijke privé-onttrekkingen door C; Ethisch wangedrag van C, waardoor het voortbestaan van de praktijk in gevaar wordt gebracht; Het onder verantwoordelijkheid van C ontstaan zijn van een sfeer van bedreigingen en intimidaties rond de praktijk en een wekenlange bezetting van de praktijk door familieleden van C waardoor het uitvoeren van de werkzaamheden door het personeel is bemoeilijkt; Pogingen van C door verzekeraars uit te keren gelden naar zich toe te trekken, waardoor verschillende verzekeraars uitbetalingen hebben geblokkeerd en de vennootschap de kosten en salarissen niet kan betalen; Het onder valse voorwendselen proberen te verwijderen van A uit de praktijk, waardoor de continuïteit in gevaar is gebracht; Het blokkeren van de toegang tot de automatiseringssystemen voor het personeel; Het systematisch belemmeren door C van de bedrijfsvoering door de toegang van de vennootschap tot declaratiediensten en banksaldi te blokkeren en het gebruiken van de ontstane noodsituatie om eisen af te dwingen.

B heeft verweer gevoerd. Zij heeft in de eerste plaats een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van A in zijn verzoek. De inhoudelijke opmerkingen die zij in dat verband heeft gemaakt, komen zo nodig aan de orde bij de beoordeling van het verzoek. Zij heeft bij pleidooi echter ook verwezen naar haar stellingen dat A geen bestuurder is en dat C op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de aandelenemissie.

De Ondernemingskamer verwerpt het beroep van B op niet ontvankelijkheid. De discussie over de vraag of A al dan niet formeel bestuurder is van Huisartsenpraktijk D, is in dit verband niet relevant. Op basis van de notariële emissieakte gaat de Ondernemingskamer ervan uit dat A voor 47,5% aandeelhouder is van Huisartsenpraktijk D en derhalve op de voet van artikel 2:346 lid 1(b) bevoegd is een enquêteverzoek te doen. C heeft niet betwist dat hij de genoemde volmacht heeft ondertekend en het betoog van C die volmacht niet overeenstemde met zijn wil of berust op een wilsgebrek, is onvoldoende concreet, om, vooruitlopend op een oordeel daarover van de gewone burgerlijke rechter, thans tot uitgangspunt te nemen dat inroeping door B van de vernietiging van de uitgifte van de aandelen zal slagen.

B heeft voorts inhoudelijk verweer gevoerd. Kort gezegd heeft zij aangevoerd dat het verzoek op onwaarheden berust en dat de Inspectie geen bezwaren heeft geuit tegen C als bestuurder van B. B voert aan dat A een juridisering van het conflict in de hand heeft gewerkt, waardoor uiteindelijk een onwerkbare situatie is ontstaan en A geen enkele inspanning heeft verricht om herstel van C te bevorderen of de impasse te doorbreken. Volgens B heeft A misbruik gemaakt van omstandigheden door C stukken te laten tekenen waardoor A bestuurder/aandeelhouder heeft kunnen worden, heeft C geen gelden aan Huisartsenpraktijk D onttrokken, is zijn aanwezigheid niet ongewenst (in verband waarmee B aanvoert dat de persoonlijke problematiek van C inmiddels onder controle is) en is het A geweest die financieel wanbeleid valt te verwijten, waardoor Huisartsenpraktijk D (onder meer met de fiscus) in de problemen is geraakt.

Daarnaast heeft A zich schuldig gemaakt aan het opstellen van valse notulen om C als bestuurder van B te ontslaan, aldus B. B verwijt A ook overigens onrechtmatig handelen in strijd met het belang van de praktijk, onder meer door zonder geldige besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders geldleningen aan te gaan, een nieuwe bankrekening te openen en contracten met zorgverzekeraars te wijzigen, door het medisch beroepsgeheim te schenden, door C reputatie bij vrijwel alle stakeholders te beschadigen en door het onnodige politieoptreden van 16 maart 2017 te initiëren en de sloten te vervangen.

Wanbeleid. Verstoorde relatie bestuur en aandeelhouders. Impasse. Is de vennootschap onbestuurbaar geworden?

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

Uit de stellingen van beide partijen, bezien in samenhang met de feiten zoals die zijn opgenomen, volgt dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van Huisartsenpraktijk D te twijfelen.

Tussen C en A heeft zich een diepgaand conflict ontwikkeld en zij maken elkaar over en weer ernstige verwijten. De verhouding tussen C en A is volledig verstoord; verdere samenwerking is niet meer mogelijk. De verstoorde verhouding tussen C en A staat collegiaal bestuursoverleg in de weg en heeft een negatieve weerslag op de gang van zaken in de praktijk. Het conflict heeft geleid tot onrust onder het personeel en tot problemen met ABN AMRO, Zilveren Kruis en Calculus, die in verband met tegenstrijdige berichten omtrent bevoegdheden betalingen respectievelijk werkzaamheden hebben opgeschort.

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer rechtvaardigt het voorgaande reeds een onderzoek. De gegrondheid van de over en weer gemaakte verwijten kan in dit stadium in het midden blijven. De Ondernemingskamer zal een onderzoek bevelen over de periode vanaf de oprichting van Huisartsenpraktijk D op 28 juni 2016.

Daarnaast is de Ondernemingskamer van oordeel dat de toestand van Huisartsenpraktijk D, zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen, noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorziening.

De Ondernemingskamer zal een tijdelijke bestuurder benoemen met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid en zonder wie de vennootschap niet vertegenwoordigd kan worden. De tijdelijke bestuurder kan de verhouding met onder meer de verzekeraars, de bank en de fiscus zo mogelijk normaliseren en in overleg treden met Inspectie. Bovendien kan deze bestuurder een beslissing nemen over de vraag of C als huisarts al dan niet kan terugkeren in de praktijk en zo ja op welke termijn en onder welke voorwaarden.

De Ondernemingskamer geeft de bestuurder voorts in overweging te bezien of een ontvlechting tussen B en A gerealiseerd kan worden door middel van een bindend advies. Zowel B als A hebben ook ter zitting de wens uitgesproken tot ontvlechting te komen.

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en van de te benoemen bestuurder ten laste brengen van Huisartsenpraktijk D.

De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorziening een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.

Voor het treffen van meer of andere onmiddellijke voorzieningen is naar het oordeel van de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over aandeelhouders in het ondernemingsrecht, over wanbeleid in een onderneming, over de verstoorde relatie tussen bestuur en aandeelhouders of over de geschillenregeling, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.