Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 22 november 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid, het niet voldoen aan een betalingsverplichting en het frustreren van verhaal van de schuldeisers van de onderneming.

Bedrijf 1 heeft rond 30 juni 2015 twee overeenkomsten met eiseres gesloten. Zij is de verplichtingen uit die overeenkomst (betaling van de facturen) niet nagekomen.

Bestuurdersaansprakelijkheid : toetsingsnorm

Uitgangspunt is dat, als een vennootschap (zoals bedrijf 1) tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de schade die daardoor wordt veroorzaakt.

Onder bijzondere omstandigheden kan daarnaast ook een bestuurder van de vennootschap aansprakelijk zijn voor die schade. Daarvoor is vereist dat aan die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Er gelden voor het vaststellen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen. Die hoge drempel voor de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt allereerst gerechtvaardigd doordat er sprake is van handelingen van de vennootschap. En daarnaast moet voorkómen worden dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Dit alles blijkt uit vaste rechtspraak (o.a. Hoge Raad, 20 juni 2008, HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2627, NJ 2015/22 (RCI).

Of er sprake is van zo’n ernstig verwijt van een bestuurder, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Indien de bestuurder (gedaagden) namens de vennootschap (bedrijf 1) een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser (eiseres) onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien hij bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze hoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (zie onder meer Hoge Raad, 6 oktober 1989, HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel)).

Ook kan persoonlijke aansprakelijkheid worden aangenomen als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, terwijl hij wist of redelijkerwijs had horen te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Hoge Raad, 8 december 2006, HR:2006:AZ0758).

Kort gezegd houden deze normen in dat de bestuurder bij zijn handelen wist of hoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden. (Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2627, NJ 2015/22 (RCI).

Eiseres heeft een aantal omstandigheden genoemd waaruit volgens haar volgt dat van zo’n situatie sprake is. Dat zijn de volgende:

– Het faillissement van bedrijf 1 is aangevraagd bij verzoekschrift van 4 augustus 2015, slechts 39 dagen na het sluiten van de overeenkomsten. Bovendien was dat de derde aanvraag en waren er dus kennelijk twee eerdere verzoekschriften. Uit de brief van de curator van 4 april 2016 blijkt dat medio juli de eerste concept-faillissementsaanvraag al bekend was bij gedaagden.

– Toen het faillissement werd aangevraagd, liepen er al procedures tegen bedrijf 1 van schuldeisers. Naar verluidt zijn begin juni 2015 al executoriale beslagen gelegd op basis van verstekvonnissen.

– Uit het faillissementsverslag van 7 oktober 2016 blijkt dat bedrijf 1 een enorme schuldenlast aan concurrente schuldeisers heeft (circa € 1.700.000), terwijl de openstaande vorderingen van [bedrijfsnaam 1] circa € 166.000,- bedragen.

– De curator heeft paulianeuze handelingen van de bestuurders geconstateerd. Eiseres vermoedt dat die zijn verricht voordat de overeenkomsten met eiseres zijn gesloten. De curator gaat er daarbij van uit dat de bestuurders in ieder geval op 14 juli 2015 wisten dat een faillissement onafwendbaar was.

Gedaagden stellen daar het volgende tegenover.

Bedrijf 1 is in financieel zwaar weer terecht gekomen door vertragingen in bouwprojecten waardoor betalingen van opdrachtgevers uitbleven, vooral in het voor bedrijf 1 belangrijke en grote project. Er lag echter een voorstel van haar opdrachtgever bedrijf 2 B.V. van april 2015 dat voorzag in betaling aan bedrijf 1 van een bedrag van € 100.000,- voor onvoorziene omstandigheden c.q. meerwerk en een renteloze lening van € 200.000,- aan bedrijf 1 tot 1 augustus 2016. Met dat geld had bedrijf1 overeind kunnen blijven en schuldeisers kunnen betalen. Dat voorstel moest nader worden uitgewerkt, maar dat is nooit gebeurd. Dat komt omdat bedrijf 2 op enig moment, in juli 2015, extra voorwaarden stelde waaraan bedrijf 1 niet kon voldoen. De bank heeft bovendien haar medewerking aan dit voorstel opgeschort toen de eerste aanvraag voor het faillissement van bedrijf 1 was ingediend. Bedrijf 1 heeft in juli 2015 haar werkzaamheden in dat project stopgezet.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Niet voldoen aan een betalingsverplichting.

De kantonrechter laat in het midden of gedaagden bij het bestellen van de lichtkoepels rond 30 juni 2015 (dus bij het aangaan van de verplichtingen van bedrijf 1 tegenover eiseres) wisten of hoorden te weten dat eiseres niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. De reden daarvoor is dat eiseres overtuigend heeft aangetoond dat gedaagden in ieder geval in de loop van juli 2015 die wetenschap hadden of hoorden te hebben. Op 24 juli 2015 is het faillissement van bedrijf 1 aangevraagd, waartegen bedrijf 1 geen verweer heeft gevoerd. Een concept van die aanvraag hebben gedaagden op 14 juli 2015 al ontvangen. Deze omstandigheden blijken uit de brief van de curator van 4 april 2016 en zijn ook niet betwist door gedaagden. Volgens de verklaring van gedaagde 1 ter zitting heeft bedrijf 2 B.V. op enig moment nadere voorwaarden gesteld aan de betaling van het eerder genoemde bedrag van € 100.000,- en het verstrekken van de lening van € 200.000,-. Dat waren voorwaarden waaraan bedrijf 1 niet kon c.q. wilde voldoen. Naar aanleiding van die discussie heeft bedrijf 1 haar werkzaamheden in het project stopgezet; dat was in juli 2015 aldus gedaagde 1 ter zitting. Toen er een faillissementsaanvraag was ingediend, werd bovendien duidelijk dat de bank niet zou meewerken aan het verhogen van de kredietfaciliteit van bedrijf 1 (voorwaarde voor het voorstel van bedrijf 2).

Gelet op deze omstandigheden wisten of hoorden gedaagden in de loop van juli 2015 te weten dat het faillissement van bedrijf 1 aanstaande was. In de conclusie van antwoord hebben gedaagden gesteld dat pas op 25 augustus 2015 bedrijf 2 B.V. heeft gezegd de renteloze lening niet te verstrekken. Dat strookt echter niet met dat wat gedaagde 1 ter zitting heeft verklaard, zoals dat hiervoor is weergegeven. Gedaagden hebben niet uitgelegd, niet in de conclusie van antwoord en niet ter zitting, waaruit blijkt dat bedrijf 2 B.V. pas eind augustus 2015 het voorstel heeft ingetrokken en hoe zich dat verhoudt tot de feiten en omstandigheden in juli 2015 die hiervoor zijn omschreven. De kantonrechter verwerpt dan ook de stelling dat pas eind augustus 2015 duidelijk was dat het voorstel van bedrijf 2 B.V. niet doorging.

In die situatie hebben gedaagden toegelaten dat bedrijf 1 de bestelde lichtkoepels niet heeft geannuleerd en in plaats daarvan de lichtkoepels gewoon heeft laten leveren. De situatie voor bedrijf 1 was toen echter zo alarmerend dat van gedaagden als bestuurders verwacht had mogen worden dat zij eiseres daarover zouden hebben geïnformeerd. Die alarmerende situatie blijkt uit het feit dat de bank haar medewerking aan verhoging van de kredietfaciliteit had opgeschort, dat het voorstel van bedrijf 2 van de baan was en dat bedrijf 1 haar werkzaamheden in het voor haar belangrijkste project had stilgezet (waardoor geen relevante betalingen meer zouden binnenkomen). Gedaagden hebben niet gesteld dat van hen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet gevergd kon worden om eiseres op deze manier te informeren.

Als gedaagden vóór 3 augustus 2015 eiseres hadden geïnformeerd dat bedrijf 1 naar alle waarschijnlijkheid niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, had eiseres geen schade geleden. Eiseres stelt immers gemotiveerd dat zij ofwel de bestelling bij haar leverancier (kosteloos) had kunnen annuleren ofwel de lichtkoepels (die een standaard maatvoering hadden) aan een ander had kunnen verkopen en leveren. Gedaagden hebben deze stellingen niet betwist.

De kantonrechter vindt dan ook dat gedaagden als bestuurders van bedrijf 1 hebben toegelaten dat bedrijf 1 haar verplichtingen niet nakwam terwijl zij de schade die daardoor werd veroorzaakt voor eiseres in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs had kunnen en moeten voorkomen.

Deze handelwijze van de bestuurders is een onrechtmatige gedraging tegenover eiseres. Daarom zijn zij persoonlijk aansprakelijk voor de schade van eiseres. Eiseres stelt dat die schade bestaat uit het totaalbedrag van de facturen en een bedrag aan incassokosten. De kantonrechter zal beide bedragen toewijzen. Als gedaagden op juiste wijze zouden hebben gehandeld, zou eiseres – zo heeft zij onweersproken gesteld – de order van de lichtkoepels kosteloos hebben kunnen annuleren of de lichtkoepels aan een derde kunnen verkopen. Gedaagden hebben niet betwist dat eiseres kosten heeft gemaakt ter incasso van de vordering. Het bedrag van de incassokosten (€ 235,04) komt overeen met de norm die geldt volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Ook deze schade moeten gedaagden vergoeden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, over betalingsverplichtingen of het frustreren van verhaal van schuldeisers, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.