Van onze advocaat aandeelhouder. De Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 oktober 2017 uitspraak gedaan over gesteld wanbeleid binnen een onderneming. Tegenstrijdig belang. Informatieverstrekking aan aandeelhouders. Impasse?

De advocaat van A heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van F en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht:

-er is sprake van bestuursbesluiten met tegenstrijdig belang: B heeft de winst over 2016 afgeroomd door eigenmachtig (en zonder grond) een extra beloning aan zijn echtgenote en zichzelf toe te kennen ten laste van het resultaat, terwijl – bij afwezigheid van een functionerende raad van commissarissen – alleen de algemene vergadering daartoe bevoegd was;

-het bestuur handelt in strijd met de wet door niet de door de aandeelhouders ,buiten vergadering, goedgekeurde, maar een eenzijdig gewijzigde jaarrekening over 2015 te deponeren;

-in de algemene vergadering schiet de informatievoorziening tekort en het bestuur weigert een algemene vergadering op verzoek van A te beleggen;

-er bestaat een impasse in de aandeelhoudersvergadering met verlammende werking op de ondernemingsactiviteiten, zonder uitzicht op herstel van de normale verhoudingen.

F en B hebben ieder afzonderlijk verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op die verweren ingaan.

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De jaarrekening 2015 is – na diverse aanpassingen, zo blijkt uit de processtukken – door beide aandeelhouders (per e-mail) geaccordeerd. Het feit dat deze besluitvorming buiten de algemene vergadering heeft plaatsgehad, doet aan de rechtsgeldigheid ervan niet af, aangezien de statuten in die mogelijkheid voorzien. B heeft aangevoerd dat de statuten voorschrijven dat de vergadergerechtigden in dat geval schriftelijk of langs elektronische weg moeten instemmen met die alternatieve wijze van besluitvorming en dat het daaraan heeft ontbroken.

De Ondernemingskamer is echter van oordeel dat de gang van zaken zoals aangehaald voldoende recht doet aan bedoelde statutaire regeling: op het voorstel van de raad van commissarissen om de jaarrekening 2015 door de aandeelhouders buiten de algemene vergadering te laten vaststellen is door beide aandeelhouders instemmend gereageerd met hun akkoord voor de jaarrekening; aannemelijk is dat voor ieder duidelijk is geweest wat de strekking van dat voorstel was. Daarmee is de jaarrekening 2015 door de aandeelhouders vastgesteld. Dat B als bestuurder vervolgens die jaarrekening ruim acht maanden later eenzijdig wijzigt en die gewijzigde (niet door de vergadering van aandeelhouders vastgestelde) jaarrekening deponeert, lijkt hiermee niet te rijmen.

De bestuursbesluiten tot het met terugwerkende kracht uitkeren van loon over 2015 aan B en van vakantie- en overuren over 2015 aan diens echtgenote, alsmede het verwerken van de desbetreffende bedragen in de jaarrekening 2016 versterken de twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken. B had daar als bestuurder een met de vennootschap tegenstrijdig belang bij en heeft desondanks niet de algemene vergadering daarover laten besluiten, maar zelf die besluiten genomen. In de jaarrekening 2015 waren immers geen vorderingen van dien aard van B en/of diens echtgenote opgenomen en vaststaat dat B nagenoeg geheel 2015 arbeidsongeschikt is geweest; het verweer van F dat de bestuurder slechts uitvoering gaf aan de arbeidsovereenkomsten van B en zijn echtgenote is daarom niet steekhoudend.

De bezwaren van A leveren tegenover het gemotiveerde verweer van B op zich zelf beschouwd onvoldoende grond op voor twijfel aan een juist beleid.

Uit hetgeen is overwogen, zeker in onderling verband bezien, volgt reeds dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van F. De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van F vanaf 22 december 2014 bevelen, dat zich in ieder geval dient te richten op hetgeen is overwogen maar zich ook tot andere in deze procedure aan de orde gekomen punten kan uitstrekken.

Voorts is de Ondernemingskamer van oordeel dat de verhouding tussen de aandeelhouders B en A, zoals F ook beaamt, dusdanig is verstoord dat de algemene vergadering van F niet meer naar behoren kan functioneren.

Illustratief hiervoor is dat de aandeelhouders niet tot overeenstemming kunnen komen over de inhoud van de jaarrekening 2016 en over een nieuwe samenstelling van de raad van commissarissen. Hoewel er op dit moment niet een dringend onderwerp aan de algemene vergadering voorligt dat een deadlock oplevert, is duidelijk dat de verhoudingen dusdanig zijn verstoord dat ingrijpen geboden is, mede gelet op het feit dat ter zitting is gebleken dat herstel van normale verhoudingen niet zonder ingrijpen in de verwachting ligt.

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van F, zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen, noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij zal bij wijze van onmiddellijke voorziening – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een derde als commissaris van F benoemen.

De tijdelijk commissaris zal als taak hebben toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, opdat een goede governance wordt bereikt.

Daarnaast kan die functionaris bijdragen aan een constructieve communicatie in de algemene vergadering en toezien op een goede informatievoorziening ten behoeve van die vergadering. Op deze wijze wordt tevens het bezwaar van A geadresseerd.

De te benoemen commissaris mag het daarnaast tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen commissaris ten laste brengen van F.

De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen, alsmede de door de Ondernemingskamer benoemde commissaris kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.

Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.

De Ondernemingskamer zal F als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.

Wilt u de gehele uitspraakbekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid of over wanbeleid binnen een onderneming, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouders op 020-3980150.