Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 9 augustus 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid, de Beklamel-norm en een financieringstekort bij het aangaan van een aannemingscontract.

De hoofdvraag die voorligt is of gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 als zelfstandige bestuurders van het bedrijf persoonlijk aansprakelijk zijn jegens eiseres, omdat het bedrijf de overeengekomen aanneemsom als ook de kosten voor meerwerk (gedeeltelijk) niet aan eiseres heeft voldaan én, zo ja, voor welk bedrag zij dan aansprakelijk zijn.

De rechtbank stelt voorop dat wanneer een vennootschap tekort schiet in de nakoming van een verbintenis, tot uitgangspunt heeft te gelden dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade (HR:2014:2626 en HR:2014:2627).

Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW van een bestuurder van die vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid van een bestuurder is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling van de betrokken derde(n) persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Het antwoord op de vraag óf de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering geldt, dat afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond kan zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld. Hiervoor geldt als maatstaf of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (HR 6 oktober 1989, nr. 13618, Beklamel).

 Beklamel-norm

Om te kunnen beoordelen of gedaagde c.s. in de genoemde zin aansprakelijk is, dient te worden vastgesteld tot welk (uiteindelijk terecht in rekening gebracht) bedrag het bedrijf heeft gecontracteerd en of toentertijd voor hen voorzienbaar was dat het bedrijf die betalingsverplichtingen niet kon nakomen. Daartoe geldt allereerst wat er aan hoofdaanneemsom is overeengekomen tussen de onderneming en eiseres. Tussen partijen staat vast dat de daarmee gemoeide som € 462.725,= exclusief btw bedroeg, oftewel € 559.897,26 inclusief btw. Gedaagde c.s. heeft nog aangevoerd dat eiseres had toegezegd deze som met € 50.000,= te verlagen, maar die stelling hebben de arbiters verworpen. Weliswaar is het arbitrale vonnis niet gewezen tussen eiseres en gedaagde c.s., maar tegenover het beroep op dat vonnis door eiseres hebben gedaagde c.s. niet voldoende aangevoerd om te rechtvaardigen dat in dit geding tot een andersluidend oordeel wordt gekomen.

De advocaat van eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling dat gedaagden persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, gewezen op de e-mail van 30 november 2015. Eiseres heeft ter comparitie over deze e-mail verklaard dat daaruit kan worden afgeleid dat gedaagde c.s. bij het aangaan van de aanneemovereenkomst haar financiën niet op orde had. Door gedaagde c.s. wordt niet, dan wel onvoldoende, betwist dat de onderneming bij het aangaan van de aanneemovereenkomst over geen andere financieringselementen beschikte dan in de voornoemde e-mail beschreven.

In de bewuste e-mail wordt een weergave gegeven van verschillende bedragen die – uiteindelijk – gezamenlijk dienen ter voldoening van de aanneemsom van € 462.725,= exclusief btw. Ter comparitie heeft gedaagde c.s. nog een kopie van een geldleningsovereenkomst overgelegd, waaruit volgt dat een bedrag van € 600.000,= door A aan het bedrijf is geleend. Of voornoemd bedrag is doorgeleend aan het bedrijf – hetgeen gezien de stellingen van partijen niet is komen vast te staan – kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven.

Gedaagde c.s. heeft immers ter comparitie óók verklaard dat deze lening van € 600.000,= mede diende ter voldoening van andere kosten, zoals de luchttechniek (€ 132.000,=) en inventaris. Uit deze stelling van gedaagde c.s. leidt de rechtbank af dat de som van € 600.000,= niet volledig diende ter voldoening van de aanneemsom. Ook in het geval de € 600.000,= is doorgeleend aan het bedrijf, is sprake van de gestelde aansprakelijkheid van gedaagde c.s., naar volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen. Óf van dat doorlenen sprake is, kan daarom in het midden blijven.

Bestuurdersaansprakelijkheid, financieringstekort en Beklamelnorm

Dit betekent dat – gezien het debat van partijen – van de posten uit de e-mail van 30 november 2015 ten hoogste de posten ad € 160.000,= (‘zelf betaald’) en ‘daarna zou er een post overblijven en die zou ik dan betalen met de btw-teruggave’ ad circa € 150.000, (samen circa € 310.000,=) kunnen gelden als reële posten ter dekking van de hoofdaanneemsom waartoe het bedrijf zich bond. Om die reden had gedaagde c.s. bij het aangaan van die som (van € 559.897,26 inclusief btw) zich moeten realiseren dat zich nadien een financieringstekort van (afgerond) circa € 240.000 voor zou doen, dat krachtens de door gedaagde c.s. voorgenomen betalingsstromen geheel voor risico van eiseres zou komen.

Gedaagde c.s. heeft op geen enkele wijze verklaard, dan wel onderbouwd, op welke alternatieve wijze dat tekort had kunnen voldoen. Dit betekent dat gedaagde c.s. bij het aangaan van de aanneemovereenkomst wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat het bedrijf niet aan haar volledige verplichting tot betaling van € 559.897,25 (inclusief btw) kon voldoen en – na uitvoering van de voorgenomen betalingen – daarvoor geen, dan wel onvoldoende, verhaal bood.

Indien zou vaststaan dat de gestelde lening van € 600.000,= niet is doorgeleend, leidt dat niet tot een ander oordeel, omdat de totale financieringsmogelijkheden van dan nog beduidend slechter waren dan in het geval die lening wel aan haar ten goede is gekomen. In dat geval zou temeer van het bedoelde ernstige persoonlijke verwijt sprake zijn.

De conclusie is dat de rechtbank de door eiseres gevorderde verklaring voor recht dat zowel gedaagde 1 als gedaagde 2 onrechtmatig jegens eiseres hebben gehandeld als zelfstandige bestuurders toewijst. Voor zover gedaagde c.s. nog heeft gesteld dat niet één persoon volledige zeggenschap had over de onderneming , heeft zij deze stelling namelijk onvoldoende onderbouwd en wordt dit gepasseerd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, over de Beklamelnorm of het frustreren van een verhaalsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.