Van onze advocaat aandeelhouder. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 16 februari 2018 uitspraak gedaan over wanbeleid en ontstane impasse van een onderneming tijdens de vereffening van de onderneming. Benoeming bestuurder als voorlopige voorziening.

De onderneming F is op 9 juli 2008 opgericht. A en S houden elk 50% van de aandelen in F. Zij vormen samen het bestuur van F en zijn gezamenlijk bevoegd F te vertegenwoordigen.

A heeft bij op 29 september 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van F over de periode vanaf 1 september 2014. Daarbij heeft zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – om bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van het geding een derde persoon te benoemen tot bestuurder van F.

A heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van een impasse in de besluitvorming van het bestuur van FDK en dat er om die reden nog altijd niet kan worden begonnen met het afwikkelen van de vennootschap, terwijl de onderneming haar activiteiten al jaren geleden heeft gestaakt. Volgens A is die impasse te wijten aan S.

Transparantie en samenwerking ontbreken, A krijgt geen toegang tot informatie en wordt niet geïnformeerd over de gang van zaken bij F. S heeft onduidelijke facturen opgevoerd van S&S Consultants, het bedrijf van de echtgenoot van B, en deze zonder toestemming van A voldaan ten laste van F. A heeft, als cessionaris van vorderingen van de kinderdagverblijven, een vordering op F maar S betwist ten onrechte dat de kinderdagverblijven nog vorderingen hebben op F; S stelt daarentegen dat F teveel heeft betaald aan de kinderdagverblijven, maar onduidelijk is waar zij dit op baseert. Met haar opstelling staat S een ordentelijke vereffening van F in de weg, aldus nog steeds A.

S heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer gesteld dat A uit het oog verliest dat er jaarlijks met de kinderdagverblijven is afgerekend en dat er tevens per 1 september 2014 een eindafrekening heeft plaatsgevonden. F heeft nu nog een vordering op A, en niet andersom, aldus S. S is bovendien van mening dat zij een vordering op F heeft voor de uren die zij heeft besteed aan de administratie. Tot slot heeft S betoogd dat A niet beschikbaar is om de administratieve afwikkeling van vorderingen en schulden van F gezamenlijk ter hand te nemen.

Wanbeleid? Impasse? Vereffening van de onderneming. Benoeming bestuurder als voorlopige voorziening.

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

Bestuurders en aandeelhouders S en A zijn het erover eens dat F niets anders rest dan een financiële afwikkeling, maar verschillen van mening over de wijze waarop dat moet gebeuren.

Zowel A als S stelt vorderingen te hebben op F die over en weer worden betwist.

Ter terechtzitting hebben partijen desgevraagd bevestigd dat hun onderlinge verhouding tot een patstelling in het bestuur van F heeft geleid.

Deze patstelling heeft ertoe geleid dat de afwikkeling drieënhalf jaar na beëindiging van de ondernemingsactiviteiten nog altijd geen aanvang heeft genomen.

Hierdoor blijven crediteuren, waaronder ouders van opgevangen kinderen en de belastingdienst (die recht hebben op terugbetaling van te veel betaalde bedragen), onbetaald, terwijl de vennootschap wel beschikt over middelen om te betalen.

Het voorgaande levert een gegronde reden op om aan een juist beleid en juiste gang van zaken van F te twijfelen en rechtvaardigt een onderzoek.

De Ondernemingskamer zal dat onderzoek daarom gelasten.

De Ondernemingskamer acht het met het oog op de toestand van F noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening een derde als bestuurder van F te benoemen aan wie in het bestuur van F – voor zover nodig in afwijking van de statuten – een beslissende stem toekomt en die zelfstandig bevoegd is F te vertegenwoordigen en zonder wie F niet vertegenwoordigd kan worden.

Daarmee kan de patstelling in het bestuur van F worden doorbroken.

De Ondernemingskamer zal overeenkomstig het verzoek van partijen daartoe, de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorziening een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over get ondernemingsrecht, over de geschillenregeling, over de uitkoop of uitstoot van aandeelhouders, over wanbeleid en de mogelijke voorlopige voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.