De Rechtbank Overijssel heeft op 24 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag of er voldoende grond bestond voor de uitstoting van een aandeelhouder ex art. 2:336 lid 1 BW.

S vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad L veroordeelt om de door haar gehouden aandelen in het geplaatste kapitaal van J over te dragen aan S, een en ander tegen betaling van een op de voet van artikel 2:339 lid 1 jo 2:340 lid 1 BW door een door de rechtbank te benoemen deskundige vast te stellen koopprijs, waarna de levering van de aandelen dient plaats te vinden binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis overeenkomstig artikel 2:341 lid 1 BW.

S legt aan deze vorderingen, samengevat, ten grondslag dat sprake is van een ernstig verstoorde verhouding tussen A en X waardoor iedere vorm van samenwerking tussen partijen onmogelijk is geworden.

Volgens S heeft L in de persoon van X zich de afgelopen jaren op een zodanige wijze opgesteld dat zij de belangen van J ernstig heeft geschaad en nog steeds schaadt, waardoor het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld.

Onvoldoende grond voor de uitstoting van een aandeelhouder? Ernstig verstoorde verhoudingen? Kan aandeelhouderschap in redelijkheid nog worden geduld?

De rechter oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 2:336 lid 1 BW kan een aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, gedwongen worden zijn aandelen over te dragen aan zijn medeaandeelhouder(s) op de wijze die in artikel 2:341 BW is voorzien.

Blijkens de wetsgeschiedenis en de bestaande jurisprudentie is een gedwongen overdracht van aandelen/uitstoting van een aandeelhouder een verstrekkende maatregel die alleen in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is, in het bijzonder wanneer door de (min of meer voortdurende) gedragingen van een aandeelhouder het functioneren en het voortbestaan van de vennootschap in gevaar worden gebracht of een impasse moet worden doorbroken.

Het dient hier te gaan om handelingen die zijn verricht door een aandeelhouder in diens hoedanigheid van aandeelhouder en die ertoe leiden dat de besluitvorming binnen de vennootschap wordt verlamd.

De vordering tot uitstoting kan niet worden ingesteld op grond van botsende karakters van de aandeelhouders of een verstoorde samenwerking, zolang althans het belang van de vennootschap daardoor niet op het spel staat.

S maakt L een aantal verwijten die volgens haar zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien kwalificeren als gedragingen die J schaden en waardoor in redelijkheid niet kan worden geduld dat L als aandeelhouder betrokken blijft bij J.

Ook noemt zij een aantal concrete feitelijke gedragingen. Deze verwijten en gedragingen komen op het volgende neer.

L weigert om afspraken op aandeelhoudersniveau in J vast te leggen en om de voorwaarden van de nog openstaande geldlening vast te leggen, waardoor de continuïteit van de onderneming in gevaar komt.

L verschijnt structureel niet bij aandeelhoudersvergaderingen van J en blokkeert hierdoor – en door het doen van oneigenlijke en onredelijke informatieverzoeken – de besluitvorming binnen J.

Dit heeft tot gevolg gehad dat het niet lukte de jaarrekeningen over 2016, 2017 en 2018 vast te stellen.

Door de verzoeken om informatie oefent L bovendien ongeoorloofde druk uit op A, waardoor deze dreigt om te vallen en de continuïteit van de onderneming in gevaar komt.

L kondigt verder diverse procedures tegen S/A en de Groep aan, voert deze ook en werkt niet voldoende mee aan het komen tot een algehele exit van L uit de Groep.

De rechtbank constateert dat niet alle door S genoemde verwijten en gedragingen handelingen betreffen die door L in haar hoedanigheid van aandeelhouder zijn verricht en dat deze deels onterecht of onjuist zijn.

Het niet vastleggen van de afspraken omtrent de geldlening is niet iets wat L, als aandeelhouder nota bene van J, kan worden verweten – nog daargelaten het feit dat niet L maar M de contractpartij van J is in deze –, aangezien uit de overgelegde stukken volgt dat het juist S is geweest die haar toezegging tijdens de algemene vergadering van 3 mei 2019 om een concept geldleningsovereenkomst toe te sturen overeenkomstig hetgeen tijdens die vergadering daarover is besproken, niet is nagekomen.

Het gestelde structureel niet verschijnen tijdens algemene vergaderingen ziet op slechts twee vergaderingen, waarvan er een – zoals L onweersproken heeft gesteld – in goed overleg niet is doorgegaan.

Wat betreft de andere vergadering volgt uit de overgelegde stukken dat L de uitnodiging daarvoor niet tijdig heeft ontvangen en heeft de rechtbank in het vonnis van 8 april 2020 in de zaak geoordeeld dat A zich niet overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid heeft gedragen door bij de gebleken afwezigheid van X op die vergadering geen contact met hem te zoeken en te informeren naar de reden van zijn afwezigheid.

De rechtbank heeft vervolgens alle besluiten die tijdens die vergadering zijn genomen, waaronder de vaststelling van de jaarrekening 2016 en 2017, vernietigd.

L wijst er verder terecht op dat het SCW zelf is geweest die in een brief van 7 mei 2018 als eerste met een procedure heeft gedreigd, nog daargelaten het feit dat het L goed recht is te trachten haar recht te halen.

Dit kan bezwaarlijk grond zijn voor uitstoting van haar als aandeelhouder.

Het niet voldoende meewerken aan een algehele exit, voor zover daarvan al sprake is geweest, kan evenmin een dergelijke grond opleveren.

Bij al het voorgaande komt nog dat S onvoldoende heeft toegelicht waarom de door haar gestelde verwijten en gedragingen het belang van J zodanig schaden dat het voortduren van het aandeelhouderschap van L in redelijkheid niet kan worden geduld.

S stelt bijvoorbeeld wel dat de weigering om afspraken op aandeelhoudersniveau in J vast te leggen de belangen van J schaadt, maar verzuimt vervolgens om die stelling nader toe te lichten.

Overigens lijkt die stelling ook onjuist te zijn, nu uit de overgelegde stukken volgt dat L wel degelijk bereid was de afspraken vast te leggen, maar partijen het over hun samenwerkingsvoorwaarden uiteindelijk niet eens konden worden.

Nu S geen steekhoudende argumenten heeft aangevoerd voor haar stelling dat L de belangen van J ernstig heeft geschaad en daardoor in redelijkheid niet langer als aandeelhouder kan aanblijven en zij die stelling bovendien onvoldoende heeft toegelicht en onderbouwd, zullen haar vorderingen worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.