Van onze advocaat aandeelhouder. De Rechtbank Gelderland heeft op 29 mei 2019 uitspraak gedaan over de verkoop van aandelen.

De Rechtbank komt niet toe aan beoordeling van de vraag of sprake is van tekortkoming in de nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit een aandeelhoudersovereenkomst, omdat niet aan het vereiste van verzuim is voldaan. Vordering tot nabetaling op de koopprijs (deels) toegewezen.

Eiser stelt dat haar bij het aangaan van de samenwerking in 2014 in het vooruitzicht is gesteld dat de resterende aandelen van eiser in het kapitaal van B.V. X als gevolg van de inbreng van verweerster na vier jaar een waarde zouden hebben van minstens € 1.400.000,00.

De vraag ligt voor of dit een harde toezegging betreft waaraan verweerster door eiser kan worden gehouden.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft verweerster verklaard dat er in de fase waarin partijen optimistisch waren gestemd over de toegevoegde waarde die hun samenwerking zou opleveren er inderdaad iets in die trant is gezegd, maar dat er met het uitspreken van die hoopvolle verwachtingen beslist geen garanties zijn afgegeven.

Eiser heeft dit onvoldoende weersproken en, mede gelet op het feit dat van een dergelijke afspraak ook niet is gebleken uit de op 1 april 2014 door partijen ondertekende overeenkomsten, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld dat op dit punt een harde afspraak tussen partijen is gemaakt. Voor zover de vordering daarop is gebaseerd kan deze dus niet worden toegewezen.

Verkoop van aandelen. Tekortkoming in de nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit een aandeelhoudersovereenkomst? Verzuim? Vordering tot nabetaling op de koopprijs deels toegewezen.

De rechter oordeelt als volgt.

Vervolgens ligt de vraag voor of er in andere zin sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen waaraan verweerster zich jegens eiser heeft verbonden.

Eiser betoogt in dat kader dat zij na het starten van de samenwerking per 1 april 2014 heeft moeten constateren dat er in feite weinig tot niets terecht kwam van de inbreng van verweerster en dat verweerster tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 van de aandeelhoudersovereenkomst.

Volgens eiser heeft verweerster zich in het bijzonder onvoldoende ingezet om de grondzuigtechniek binnen het verweerster -concern aan de man te brengen, als gevolg waarvan opdrachten uitbleven en de synergie dus niet veel heeft opgeleverd.

Tegen de afspraken in hield verweerster niet onder de pet dat zij aandelen van eiser had gekocht. Klanten van eiser die concurreren met verweerster liepen weg bij eiser toe zij daar lucht van kregen. De samenwerking heeft dus weinig goede, maar wel veel nadelige effecten opgeleverd.

Gevolg van dit alles is dat de waarde van de resterende aandelen veel minder hoog was dan die zou zijn geweest wanneer verweerster zich wel volgens de gemaakte afspraken had ingespannen, zodanig dat dit leidt tot schadeplichtigheid van verweerster , aldus de advocaat van eiser.

Verweerster weerspreekt gemotiveerd dat zij onvoldoende heeft gedaan om de grondzuigtechniek binnen het eigen concern te promoten. Volgens verweerster ligt het vooral aan de wijze van opereren van eiser zelf dat de resultaten tegenvielen en probeert eiser nu een tegenvaller te verhalen die tot het ondernemersrisico behoort. Er is volgens verweerster dan ook geen sprake van enige tekortkoming aan haar zijde, en hoe dan ook niet van verzuim.

De rechtbank overweegt het volgende.

Om aanspraak te kunnen maken op een schadevergoeding, zoals door eiser gevorderd, moet niet alleen sprake zijn van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verplichting, maar is ook vereist dat de schuldenaar, in dit geval verweerster, in verzuim is voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is (artikel 6:74 BW).

Verzuim treedt in wanneer de schuldenaar schriftelijk in gebreke wordt gesteld waarbij hem een redelijke termijn voor nakoming wordt gesteld en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 BW).

Verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten (artikel 6:83 BW) in welk geval aansprakelijkstelling voor de schade voldoende is.

Eiser heeft niet gesteld, en dit is ook niet gebleken, dat zij verweerster schriftelijk heeft aangesproken op het niet (tijdig of deugdelijk) nakomen van verplichtingen waarbij verweerster in de gelegenheid is gesteld om alsnog aan die verplichtingen te voldoen.

Het door eiser overgelegde e-mailbericht van 5 september 2014 aan de door verweerster aan B.V. X toegevoegde bestuurder, met daarin een beschrijving van de samenwerking tot dan toe, is niet als een ingebrekestelling als hiervoor bedoeld aan te merken.

Voor zover eiser betoogt dat zij gelet op het handelen van verweerster van het versturen van een schriftelijke ingebrekestelling mocht afzien, overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser stelt dat verweerster zich vanaf medio 2016 enkel nog heeft gericht op het verkopen van haar aandelen in B.V. X. Eerst werden de aandelen aan eiser aangeboden en na afwijzing van dit voorstel werden enkel nog mogelijkheden verkend om B.V. X af te stoten, aldus eiser.

Volgens eiser heeft verweerster zich in ieder geval vanaf dat moment niet langer ingespannen om van B.V. X een florerende onderneming te maken zodat de waarde van de aandelen zou stijgen.

Hoewel verweerster erkent dat B.V. X niet langer paste in de nieuwe strategie die moest worden gevoerd, is een mededeling dat zij de aandelen in B.V. X wil verkopen op zichzelf niet voldoende voor het aannemen van een gedraging waaruit valt af te leiden dat verweerster zich niet langer zou houden aan de op haar rustende inspanningsverplichtingen.

Zoals verweerster ook aanvoert is het in haar eigen belang om de waarde van de aandelen op peil te houden voor een mogelijke verkoop.

Verder blijkt ook uit het door verweerster in het verweerschrift gegeven overzicht dat verweerster zich in 2016 nog heeft ingespannen om B.V. X binnen het verweerster concern onder de aandacht te brengen en dat B.V. X is ingehuurd voor diverse projecten.

Hoewel aan eiser kan worden toegegeven dat in 2017 en 2018 niet van dergelijke specifieke activiteiten is gebleken, is ook dan niet gesteld of gebleken van een duidelijk gedraging of mededeling van verweerster waaruit blijkt dat zij in de nakoming van haar verplichtingen tekort zou schieten.

Eiser heeft immers niet weersproken dat zij medio 2017 samen in overleg naar een koper zijn gaan zoeken en dat A de door verweerster bij B.V. X aangestelde bestuurder vanaf dat moment ook niet langer betrok bij de dagelijkse gang van zaken bij B.V. X.

Bovendien, ook al zou de mededeling van verweerster dat zij B.V. X wilde afstoten als een gedraging kunnen worden aangemerkt die redengevend is om van het sturen van een ingebrekestelling af te zien, dan is niet gesteld of gebleken dat eiser daarvoor in de plaats een aansprakelijkstelling heeft gestuurd zoals de wet vereist.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt niet vast te staan dat aan het vereiste van verzuim is voldaan.

Reeds om die reden kan eiser geen aanspraak maken op een schadevergoeding op grond van wanprestatie en komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of verweerster te kort is geschoten in de nakoming van een op haar rustende verplichting en of sprake is van eigen schuld zoals verweerster betoogt.

Dan resteert de vordering die bij eiswijziging is ingediend, te weten de vordering van eiser tot nabetaling op de koopprijs op grond van artikel 1.5 van de aandelenkoopovereenkomst.

Eiser stelt dat de belastingdienst zich bij besluit van 4 augustus 2018 op het standpunt heeft gesteld dat de fiscale bedrijfsfusie-faciliteit niet van toepassing is en maakt daarom aanspraak op nabetaling over 100% van de aandelen.

Verweerster is van mening dat zij met de nabetaling van een bedrag van € 208.639,00 op 31 augustus 2018 voor de eerste transactie (verkoop van 60% van de aandelen) aan haar verplichtingen in dat kader heeft voldaan. Voor de tweede transactie (verkoop van 40% van de aandelen) is met het fiscale voordeel rekening gehouden omdat dit volgens verweerster onderdeel uitmaakt van het prijsplafond van de optieprijs voor de aandelen zoals opgenomen in artikel 6.2.2 van de aandeelhoudersovereenkomst.

De rechtbank begrijpt dan ook dat tussen partijen de vraag in geschil is of eiser nog recht heeft op een nabetaling voor de later overgedragen resterende 40% van de aandelen.

Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord.

In de aandelenkoopovereenkomst van 1 april 2014 hebben partijen afgesproken dat de waarde van alle aandelen op dat moment op € 2.333.333,00 wordt vastgesteld.

Uit diezelfde overeenkomst blijkt dat deze waarde hoger kan worden indien achteraf blijkt dat de door partijen voorgestane bedrijfsfusie-faciliteit door de belastingdienst niet wordt gehonoreerd.

Verweerster moet dan voor de verkochte 60% van de aandelen alsnog een hogere prijs betalen. Uit de berekening op die basis, zoals die door eiser is gemaakt, volgt dat het verschil voor die 60% van de aandelen neerkomt op € 208.639,00.

De juistheid van de uitkomst van deze berekening en de daarin betrokken cijfers is op zichzelf niet in geschil. De aandeelhoudersovereenkomst heeft betrekking op de resterende 40% van de aandelen die na 1 april 2018 (kunnen) worden verkocht. In artikel 6.2.2 is een berekening gegeven voor de prijs per aandeel. Daarbij wordt uitgegaan van de waarde van de aandelen, op dat moment, te weten 1 april 2014, vastgesteld op € 2.333.333,00. Indien later blijkt dat dit een hogere waarde had moeten zijn als gevolg van een nabetaling op grond van artikel 1.5 van de aandelenkoopovereenkomst, dan wordt laatstgenoemd bedrag van de aandelen met die nabetaling verhoogt.

Gelet hierop is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, het verweer van verweerster dat de extra vergoeding onderdeel uitmaakt van het prijsplafond van de optieprijs en de uitkomst ver beneden het plafond is, niet te begrijpen.

Ten tijde van de overdracht van de resterende 40% van de aandelen (1 april 2018) was de beslissing van de fiscus (4 augustus 2018) nog niet bekend dus hebben partijen kennelijk rekening gehouden met de in 2014 aangenomen waarde van € 2.333.333,00 en moet de verhoging nog worden meegenomen.

Gelet hierop wordt het door eiser gevorderde bedrag van € 139.092,00 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2018.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of een aandeelhoudersovereenkomst, over de overdracht van aandelen, over de geschillenregeling of over de uitkoop van aandeelhouders, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.