Van onze advocaat contractenrecht. De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 1 mei 2019 uitspraak gedaan over het tot stand komen van een overeenkomst bij een onderhandeling over een aandelenovereenkomst.

Het gaat in deze zaken allereerst om de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen is, op basis waarvan Partij I aandelen van Partij II in Partij III overneemt voor EUR 300.000,- .

Partij II stelt dat de overeenkomst blijkt uit de e-mailcorrespondentie van 11 en 13 april 2015.

Volgens Partij II hebben partijen en hun advocaten de in de e-mailcorrespondentie vastgelegde afspraken bevestigd en uitgewerkt in verschillende concepten van een aandeelhouders- en participatieovereenkomst, waarvan de recentste dateert van september 2015.

Partij II meent dat Partij I uitvoering heeft gegeven aan de afspraken door op 4 juni 2015 de helft van de koopprijs voor de aandelen over te boeken naar Partij II. Partij II vordert nakoming van voornoemde afspraken. Partij I en Partij III betwisten dat een overeenkomst tot stand gekomen is.

Contractenrecht. Tot stand komen van een overeenkomst. Onderhandelen over een aandelenovereenkomst.

De rechter oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 6:217 lid 1 BW komt een overeenkomst tot stand door een aanbod van de ene partij en de aanvaarding daarvan door de andere partij.

Een aanbod kan slechts in een overeenkomst resulteren, indien de voorwaarden voldoende nauwkeurig zijn bepaald en het aanbod de essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst bevat, zodat wanneer het wordt aanvaard, de overeenkomst ook daadwerkelijk tot stand komt.

Daarbij is relevant hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden (HR 17 december 1976, NJ 1977/241, HR:1976:AC5835).

Hetgeen hiervoor onder de feiten is opgenomen leidt tot het oordeel dat de door Partij II gestelde afspraken niet tot stand zijn gekomen.

De e-mailcorrespondentie waarop Partij II zich beroept is niet afkomstig van een van de partijen in deze procedure, maar van G. Partij I en Partij III zaten op 11 en 13 april 2015 niet aan de onderhandelingstafel en G beschikte bovendien, zoals Partij I en Partij III onbetwist hebben betoogd, niet over een volmacht om hen te vertegenwoordigen, zodat niet valt in te zien waarom die berichten zouden gelden als een aanbod van die partijen.

Het enkele feit dat die partijen mede-geadresseerden zijn van de e-mails tussen C en G maakt dat niet anders.

Voor zover Partij II met haar stelling dat Partij I uitvoering heeft gegeven aan de afspraken door overboeking van een bedrag van EUR 150.000,- naar de rekening van Partij II, bedoeld heeft dat Partij I het aanbod van G heeft bekrachtigd, kan dit betoog niet stand houden.

Onweersproken is immers dat deze overboeking is gedaan omdat C behoefte had aan liquide middelen in verband met de verbouwing van zijn woning en daarom aan A heeft gevraagd of Partij I vooruitlopend op de overeenkomst een voorschot op de koopprijs van de aandelen kon betalen.

Bij de betaling door Partij I is vervolgens expliciet vermeld dat het om een voorschot gaat. Onder die omstandigheden mag de betaling niet worden opgevat als het uitvoeren van de afspraken.

Dat Partij II dat ook redelijkerwijs niet zo heeft mogen begrijpen, volgt in ieder geval uit de e-mail van A (van Partij I) van 24 september 2015.

In die e-mail schrijft A expliciet dat als Partij II niet de concept aandeelhoudersovereenkomst van augustus 2015 ondertekent (waarin partijen afspreken dat ter compensatie voor het verkrijgen door Partij III van de volledige zeggenschap over de IE-rechten, Partij I aandelen van Partij II overneemt voor EUR 300.000 en de Lening vervroegd wordt afgelost) er geen overeenkomst tot stand komt en het voorschot van EUR 150.000 als onverschuldigd betaald zal worden terug gevorderd.

Het betoog van Partij II dat in de correspondentie van juli/augustus 2015 een herhaalde wederzijdse bevestiging van de afspraken is te lezen en dat zij daaruit mocht afleiden dat de afspraken tot stand zijn gekomen, althans (zo begrijpt de rechtbank Partij II) dat uit die correspondentie volgt dat Partij I en Partij III alsnog hebben ingestemd met de gestelde afspraken van april 2015, wordt eveneens verworpen.

Na juli/augustus 2015 hebben partijen immers door onderhandeld. Belangrijk discussiepunt daarbij was dat de IE-rechten op het ATTV ontwerp bij Partij III moesten komen te rusten (rechten die Partij II pretendeerde in eigendom te hebben) en hoe kon worden bewerkstelligd dat Partij II daarvan een (beperkt) eigen gebruik mocht maken.

Dit punt vormde een onlosmakelijk onderdeel van de ‘totale deal’ die Partij I, Partij III en Partij II in hun gesprekken vanaf april/mei 2015 voor ogen hadden.

In die voortgezette onderhandelingen hebben Partij I en Partij III steeds aangegeven dat dit punt van IE-rechten niet los kon worden gezien van de voorgenomen aandelenoverdracht aan Partij I en de (vervroegde) aflossing van de Lening door Partij III.

Verwezen wordt naar de e-mail van B (namens Partij I) aan C van 20 augustus 2015 en de e-mail van de advocaat van Partij III van 27 augustus 2015. Partij I en Partij III maken Partij II hierin duidelijk dat wanneer Partij II op het punt van de IE-rechten niet zou meewerken, er in het geheel geen overeenkomst tussen hen tot stand zou komen.

Partij II kon hier in ieder geval uit afleiden dat Partij I en Partij III van mening waren dat van de in deze procedure door Partij II gestelde “afdwingbare afspraken” van april 2015 geen sprake was en dat in ieder geval eerst (schriftelijk) overeenstemming moest worden bereikt over de zeggenschap over de IE-rechten en over de wijze waarop kon worden bewerkstelligd dat Partij II nog deels gebruik van die rechten mocht blijven maken.

Ook Partij II zelf ging er in augustus 2015 nog van uit dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand was gekomen, althans Partij I en Partij III hebben dat naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs zo mogen begrijpen. In dit verband wordt verwezen naar de e-mail van de advocaat van Partij II van 27 augustus 2015.

De koppeling van de discussie over de IE-rechten aan de aandelenoverdracht (voor circa EUR 300.000) en de aflossing van de Lening (circa EUR 200.000) – in totaal de EUR 5 ton die Partij II in de hierboven vermelde e-mail van 27 augustus 2015 noemt – stond ook met zoveel woorden vermeld in de concepten van de aandeelhoudersovereenkomst van juli, augustus en september 2015.

Partij I en Partij III hebben Partij II bij herhaling duidelijk gemaakt dat de afspraken die partijen zouden maken op al die punten zouden worden uitgewerkt in een aandeelhoudersovereenkomst én dat die afspraken slechts bindend zouden zijn voor partijen ná ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst door alle partijen. Partij II heeft niets gesteld waaruit blijkt dat zij zich daarin niet kon vinden.

Gelet op het voorgaande kan het verweer van Partij II dat de april-afspraken los moeten worden gezien van de aandeelhoudersovereenkomst en van de discussie over de IE-rechten haar niet baten.

Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie van april 2015 (als al kan worden gezegd dat Partij III en Partij I hieraan zijn gebonden) en uit de overgelegde concepten van de aandeelhoudersovereenkomst blijkt dat alle partijen, ook C namens Partij II, ervan uitgingen dat een ‘totale deal’ werd gesloten, waarvan de zeggenschap over de IE-rechten en de ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst een onlosmakelijk onderdeel vormden.

Partij II, in de persoon van C, en de advocaat van Partij II hebben vervolgens begin oktober 2015 uitdrukkelijk te kennen geven dat de IE-rechten niet waren overgedragen aan Partij III en dat Partij II niet akkoord ging met de in het concept van de aandeelhoudersovereenkomst voorliggende afspraken over de IE-rechten.

Daarmee heeft Partij II het aanbod van Partij I en Partij III om tot een ‘totale deal’ te komen, als laatstelijk verwoord in het concept van de aandeelhoudersovereenkomst van september 2015, verworpen, althans zo hebben Partij I en Partij III dit redelijkerwijs mogen begrijpen.

Dat geldt te meer nu Partij II zich daar tot begin maart 2016 verder niet meer over heeft uitgelaten. Dat Partij II op 4 maart 2016 bij brief van haar advocaat aan Partij I heeft laten weten dat zij bereid was om uitvoering te geven aan de (citaat) “overeengekomen transactie” (einde citaat), maakt dat niet anders. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke transactie Partij II hier doelt.

Van enige overeenkomst was in april 2015 geen sprake en ook daarna zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen. Voor zover Partij II met die brief mocht hebben bedoeld dat zij alsnog de concept aandeelhoudersovereenkomst van september 2015 heeft willen aanvaarden, geldt dat zij daarin niet is geslaagd.

Het daarin opgenomen aanbod was met de verwerping door Partij II bij brief van 2 oktober 2015 al komen te vervallen.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van Partij II op Partij I en Partij III, voor zover gebaseerd op de stelling dat op basis van de e-mailcorrespondentie van 11 en 13 april 2015 een overeenkomst tussen hen tot stand gekomen is, worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het contractenrecht, over de totstandkoming van een overeenkomst of contract of over de overdracht van aandelen of een aandelenovereenkomst, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.