Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of de Ondernemingskamer bevoegd was om van de vordering tot uitkoop van in buitenland gevestigde aandeelhouders kennis te nemen.

T heeft gedaagden gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van de Ondernemingskamer en gevorderd om de genoemde aandeelhouders te veroordelen het onbezwaarde recht op de Aandelen waarvan zij houder zijn aan T over te dragen tegen betaling door T van de door de Ondernemingskamer vastgestelde prijs per aandeel

Vennootschapsrecht. Uitkoop van aandeelhouders. Internationaal privaatrecht. Rechtsmacht. Bevoegdheid van de Ondernemingskamer bij in buitenland gevestigde gedaagden.

De rechter overweegt als volgt.

Artikel 24 aanhef en sub 2 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Verordening Brussel I-bis) houdt in dat ongeacht de woonplaats van partijen de gerechten van de lidstaat van vestiging van een vennootschap bij uitsluiting bevoegd zijn “voor de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen (…) dan wel van de besluiten van hun organen”.

Het Hof van Justitie EU (hierna: HvJ EU) heeft bij arrest van 7 maart 2018, EU:C:2018:167 (E.On Czech Holding/Dědouch c.s.) voor recht verklaard dat deze bepaling (in die zaak nog artikel 22 EEX-Vo) “aldus moet worden uitgelegd dat een vordering als in het hoofdgeding, die strekt tot toetsing van de billijkheid van de vergoeding die de meerderheidsaandeelhouder van een vennootschap moet betalen aan de minderheidsaandeelhouders ervan bij gedwongen overdracht van hun aandelen aan deze meerderheidsaandeelhouder, valt binnen de exclusieve bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat waar die vennootschap is gevestigd.

Ter beantwoording van de vraag of de Ondernemingskamer, zoals T heeft bepleit, op grond van artikel 24 Verordening Brussel I-bis exclusief bevoegd is met betrekking tot vorderingen tot uitkoop op de voet van artikel 2:92a/201a en 2:359c BW, ook nu, anders dan in de Tsjechische situatie die aan de orde was in genoemd arrest E.On Czech Holding, de uitkoop niet plaatsvindt op grond van een besluit van een orgaan van de vennootschap, maar op grond van een rechterlijke beslissing op vordering van de meerderheidsaandeelhouder, overweegt de Ondernemingskamer als volgt.

Tegen bevestigende beantwoording van die vraag pleit (i) dat, zoals hiervoor vermeld, de uitkoopprocedure naar Nederlands recht geen betrekking heeft op (de geldigheid van) een besluit van een orgaan van een vennootschap, (ii) dat het HvJ EU eerder heeft geoordeeld dat de regel in artikel 24 Verordening Brussel I-bis restrictief moet worden uitgelegd, als uitzondering op de hoofdregel van artikel 4 Verordening Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd is (zie HvJ EG 2 oktober 2008, EU:C:2008:534 (Hassett en Doherty/MDU)) en (iii) dat het HvJ EU in het E.On Holding-arrest (in r.o. 33) heeft verwezen naar zijn eerdere rechtspraak (waaronder genoemd arrest van 2 oktober 2008) waarin is overwogen dat de werkingssfeer van (de voorloper van) artikel 24 van de Verordening Brussel I-bis beperkt is tot geschillen waarbij een partij de geldigheid van een besluit van een orgaan van de vennootschap betwist.

De argumenten die voor bevestigende beantwoording pleiten wegen echter zwaarder.

Die argumenten zijn:

In zijn hierboven onder 3.1 geciteerde antwoord over de uitleg van artikel 24 Verordening Brussel I-bis legt het HvJ EU de nadruk op de omstandigheid dat de uitkoopprocedure strekt tot toetsing van de billijkheid van de uitkoopprijs; dat antwoord bevat geen beperking tot uitkoopprocedures waarin een besluit van een orgaan van de vennootschap centraal staat.

Ook bij de (her)formulering van de vraag van de verwijzende rechter (in r.o. 21) brengt het HvJ EU tot uitdrukking dat de vraag betrekking heeft op een vordering die strekt tot toetsing van de billijkheid van de uitkoopprijs die een meerderheidsaandeelhouder aan de minderheidsaandeelhouders verschuldigd is.

Dat laatste sluit aan bij de conclusie van A-G Wathelet (sub 36), voor zover die het HvJ EU in overweging gaf om artikel 24 aldus uit te leggen dat geschillen waarin in het kader van een uitkoopprocedure een meerderheidsaandeelhouder tegenover de minderheidsaandeelhouders van een vennootschap staat, binnen de werkingssfeer ervan vallen.Gelet op de beperkte reikwijdte en geringe praktische betekenis van de afwijzingsgronden genoemd in artikel 2:92a/201a lid 4 BW en het ontbreken van afwijzingsgronden in artikel 2:359c BW, vormt de toetsing van de billijkheid van de uitkoopprijs – nadat is vastgesteld dat aan de formele vereisten voor uitkoop is voldaan – de kern van de Nederlandse uitkoopprocedure.

De rechterlijke bevoegdheid in zaken die betrekking hebben op de uitkoop van minderheidsaandeelhouders (en dus vooral op de vaststelling of toetsing van de uitkoopprijs), behoort niet afhankelijk te zijn van de toevallige omstandigheid of de uitkoop volgens het nationale recht al dan niet berust op een besluit van een orgaan van de vennootschap (zoals in sommige lidstaten het geval is en in andere, waaronder Nederland, niet).

In de woorden van het HvJ EU : “De draagwijdte van (artikel 24 Verordening Brussel I-bis) mag overeenkomstig de vereisten van een autonome uitlegging en eenvormige toepassing van de bepalingen van deze verordening niet afhangen van de keuzes die in het nationale recht van de lidstaten zijn gemaakt of variëren naargelang van deze keuzes.”Aan de Nederlandse uitkoopprocedure ligt weliswaar niet een besluit van de algemene vergadering ten grondslag, maar wel de wens van de houder van ten minste 95% van de aandelen (en in geval van artikel 2:359c BW tevens ten minste 95% van de stemrechten) om de resterende minderheidsaandeelhouders uit te kopen.

Het verschil tussen beide is niet wezenlijk; in beide gevallen gaat het om de uitoefening van de bevoegdheid van de meerderheidsaandeelhouder om de minderheidsaandeelhouder(s) uit te kopen (via een besluit van de algemene vergadering dan wel door het instellen van een vordering) en de toetsing of vaststelling van de billijkheid van de uitkoopprijs door de rechter.

Met een restrictieve uitleg bedoelt het HvJ EU dat de bepaling van artikel 24 lid 2 Verordening Brussel I-bis niet ruimer mag worden uitgelegd dan het oogmerk ervan verlangt (r.o. 27). Dat oogmerk betreft onder meer de rechtszekerheid in de zin van voorspelbaarheid, te weten “dat de eiser gemakkelijk kan bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken en de verweerder redelijkerwijs kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen”.

Dat oogmerk wordt in uitkoopprocedures als de onderhavige bij uitstek gediend door exclusieve bevoegdheid van de rechter in het land waar de vennootschap is gevestigd. De vraag of, en – belangrijker – tegen welke prijs de minderheidsaandeelhouders gehouden zijn hun aandelen over te dragen aan de meerderheidsaandeelhouder is een interne kwestie die beheerst wordt door het vennootschapsrecht.

Het belang van een goede rechtsbedeling (eveneens door het HvJ EU genoemd als reden voor het toekennen van exclusieve bevoegdheid) vergt bovendien (a) Gleichlauf tussen de bevoegde rechter en het toe te passen recht en (b) het vermijden van (mogelijke tegenstrijdige) beslissingen van verschillende rechters over hetzelfde onderwerp (de billijkheid van de uitkoopprijs), hetgeen wordt bereikt door de exclusieve bevoegdheid van de rechter van het land waar de vennootschap is gevestigd.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de Ondernemingskamer in uitkoopprocedures met betrekking tot in Nederland gevestigde vennootschappen bevoegd is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bedrijfsovername over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het vennootschapsrecht of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.