De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 24 november 2020 uitspraak gedaan over de vraag of er door een opdrachtgever tijdig geklaagd was over een tekortkoming bij de uitvoering van een gemende overeenkomst.

Partijen zijn een overeenkomst aangegaan inhoudende dat gedaagde in opdracht van eisers een bamboevlonder in zijn tuin zou aanbrengen.

Overeenkomstenrecht. Gemengde overeenkomst. Aanneming van werk. Consumentenkoop. Klachtplicht. Rechtsverwerking.

De rechter oordeelt als volgt.

De kantonrechter stelt voorop dat de overeenkomst van partijen een gemengde overeenkomst is waarop ingevolge artikel 7:5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de regels van aanneming van werk en de regels van consumentenkoop naast elkaar van toepassing zijn.

In geval van strijd tussen die regels prevaleren de regels van consumentenkoop (artikel 7:5 lid 4 BW).

Eisers stelt dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen gesloten overeenkomst, omdat zowel het vlonderdek als de fundering van de vlonder gebrekkig zijn aangebracht.

Gedaagde heeft ter verweer opgeworpen dat eisers zijn rechten heeft verwerkt en daarnaast niet tijdig heeft geklaagd.

De kantonrechter zal eerst deze twee (bevrijdende) verweren bespreken.

Rechtsverwerking

Gedaagde beroept zich erop dat partijen na het uitvoeren van het onderzoek door A de W Bouwadviseurs op 16 september 2018 tot een vergelijk zijn gekomen over een regeling in der minne en dat eisers om die reden niet langer schadevergoeding kan vorderen.

De advocaat van eisers heeft op 7 november 2018 een schikkingsvoorstel gedaan inhoudende dat gedaagde een schadevergoeding zou betalen van € 4.179,- incl. btw.

Volgens gedaagde heeft hij zijn gemachtigde bericht dat hij dit voorstel accepteerde.

Eisers betwist dat partijen tot een vergelijk zijn gekomen.

Volgens eisers is door de gemachtigde van gedaagde niet gereageerd en is het voorstel ingetrokken toen bleek dat ook de fundering van de vlonder gebrekkig was.

Voor de beantwoording van de vraag of eisers zijn rechten heeft verwerkt om nakoming, dan wel vervangende schadevergoeding te vragen, stelt de kantonrechter voorop dat een schuldeiser zijn recht kan hebben verwerkt, indien sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

De stelplicht en bewijslast voor de feiten en omstandigheden ter onderbouwing van de gestelde rechtsverwerking rusten ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op gedaagde.

Behoudens dat gedaagde van zijn gemachtigde heeft begrepen dat hij en eisers tot een regeling waren gekomen, zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld waaraan gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat tussen hem en eisers een regeling was getroffen.

Gedaagde heeft het aanvaarden van het schikkingsvoorstel immers niet rechtstreeks aan eisers of de gemachtigde van eisers bericht, zodat niet kan worden vastgesteld dat gedaagde het schikkingsvoorstel heeft aanvaard alvorens het door eisers is ingetrokken.

Evenmin is gebleken dat gedaagde van eisers of de gemachtigde van eisers heeft vernomen dat de schikking tot stand was gekomen, zodat ook hieruit niet kan worden afgeleid dat tussen partijen een regeling is getroffen.

Daarnaast is noch gesteld, noch gebleken dat gedaagde onredelijk benadeeld is doordat hij later alsnog met een vordering tot het betalen van schadevergoeding is geconfronteerd.

Dit geldt te meer nu vaststaat dat geen (begin van) uitvoering is gegeven aan de minnelijke regeling die partijen volgens gedaagde hebben getroffen.

Gelet op het voorgaande wordt het verweer dat eisers zijn rechten heeft verwerkt verworpen.

Klachtplicht

Daarnaast voert gedaagde ter verweer aan dat de vordering moet worden afgewezen omdat eisers niet tijdig heeft geklaagd.

Volgens gedaagde is de klachttermijn verstreken, omdat er ruim negen maanden zijn verstreken tussen het moment waarop de klachtplicht is aangevangen op 15 september 2017 bij de oplevering van de vlonder na het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden en de eerstvolgende klacht over de bamboevlonder.

Voor zover gedaagde een beroep heeft willen doen op artikel 7:758 lid 3 BW, inhoudende dat een aannemer is ontslagen voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van de oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken, wordt dit beroep verworpen.

Zoals reeds aangegeven brengt artikel 7:5 lid 4 BW mee dat in geval van strijdigheid tussen de regels die betrekking hebben op aanneming van werk en de regels die betrekking hebben op consumentenkoop, de regels van consumentenkoop prevaleren.

Dit heeft tot gevolg dat gedaagde geen beroep toekomt op artikel 7:758 lid 3 BW en de vraag of eisers nog een beroep op de eventuele gebreken toekomt, beoordeeld dient te worden met in achtneming van de artikelen 6:89 jo. 7:23 BW.

Volgens vaste jurisprudentie moet bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 en 7:23 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht, rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en de inhoud van de rechtsverhouding, de aard en de inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie.

De klachttermijn vangt aan zodra de schuldeiser het gebrek heeft ontdekt of had moeten ontdekken.

Uit de jurisprudentie op dit punt volgt dat een schuldeiser een in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek verricht en binnen bekwame tijd nadat het gebrek wordt ontdekt of de schuldeiser dit had moeten ontdekken, hiervan kennis aan de schuldenaar geeft.

De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan en dat van het protest vormt een belangrijke factor, maar is niet doorslaggeven.

In dit verband is mede van belang of een schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd.

Door eisers is onweersproken gesteld dat hij in het voorjaar van 2018 door Hoveniersbedrijf erop is gewezen dat de vlonder niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen.

De kantonrechter constateert dat eisers bij schrijven van 18 juni 2018 gedaagde in gebreke heeft gesteld.

Nu er slechts enkele maanden verstreken zijn tussen het moment waarop de klacht door eisers is ontdekt en het moment waarop gedaagde van de klacht in kennis is gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat tussen het moment van het ontdekken van het gebrek en het moment waarop gedaagde daarvan in kennis is gesteld geen sprake is van een schending van de klachttermijn.

Voor zover gedaagde heeft willen betogen dat eisers de klacht eerder had moeten ontdekken, namelijk direct nadat hij de herstelwerkzaamheden op 15 september 2017 had uitgevoerd, is deze stelling onvoldoende onderbouwd.

Dit geldt te meer nu uit het expertiserapport volgt dat de gebreken juist ontstaan na gebruik van de bamboevlonder, zodat ook hierdoor geen sprake is van een schending van de klachttermijn.

Daar komt bij dat gedaagde niet, althans onvoldoende heeft gesteld dat en op welke wijze hij nadeel heeft geleden doordat de klacht hem op 18 juni 2018 heeft bereikt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat ook dit verweer faalt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over het overeenkomstenrecht of over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het contractenrecht of over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.