De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 oktober 2020 uitspraak gedaan over een vordering tot gedwongen overdracht van aandelen (uitstoting) op grond van artikel 2:336 BW.
L houdt 72,56% van de aandelen in L B.V., een onderneming die zich bezighoudt met bemiddeling bij nationaal en internationaal vrachtvervoer.
De overige 27,44% van de aandelen in L worden gehouden door K.
Enig aandeelhouder en bestuurder van K is de heer M.
L heeft gevorderd om bij vonnis K te veroordelen om binnen tien dagen na betekening van het te wijzen vonnis – op grond van artikel 2:336 BW – alle door haar gehouden aandelen in L over te dragen aan L tegen de betaling door L van na te melden koopprijs voor de aandelen.
Ondernemingsrecht. Vordering tot gedwongen overdracht van aandelen. Uitstoting. Functioneren van de vennootschap. Reikwijdte. Toetsingsnorm. Oneerlijke concurrentie. Beslaglegging.
De rechter oordeelt als volgt.
In deze procedure moet worden beoordeeld of K de door haar gehouden aandelen in L dient over te dragen aan L.
De vorderingen van zijn gebaseerd op artikel 2:336 lid 1 BW, dat bepaalt dat een of meer houders van aandelen, die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, van een aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, in rechte kunnen vorderen dat hij zijn aandelen overeenkomstig artikel 2:341 BW overdraagt.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat K door haar gedragingen het belang van L zodanig schaadt of heeft geschaad dat het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, heeft L gewezen op (a) de door K gelegde conservatoire beslagen onder klanten van L en (b) het beconcurreren van L door X (via Visa Global).
K heeft de verwijten van L gemotiveerd weersproken.
Volgens K is in het onderhavige geval niet voldaan aan de vereisten die artikel 2:336 lid 1 BW stelt.
Partijen twisten over de reikwijdte van artikel 2:336 lid 1 BW.
Volgens L is voor toepassing van dat artikel niet vereist dat het voortbestaan van de vennootschap direct in gevaar is.
Ook als een onderneming (bijvoorbeeld) vleugellam wordt gemaakt, waardoor de vennootschap flinke schade oploopt, maar (vooralsnog) niet dreigt om te vallen, moet het mogelijk zijn een aandeelhouder uit te stoten op grond van het bepaalde in artikel 2:336 e.v. BW, aldus de advocaat van L.
In haar visie moet, zoals ook in de literatuur is bepleit, uitstoting ook aan de orde kunnen zijn in het geval, zonder dat het belang van de vennootschap op het spel staat, een aandeelhouder zich zodanig gedraagt dat van de andere aandeelhouders niet kan worden gevergd dat zij de samenwerking met hem voortzetten.
Daarbij gaat het volgens L ook om gedragingen van een aandeelhouder buiten de vennootschap.
K heeft zich daartegenover op het standpunt gesteld dat artikel 2:336 lid 1 BW restrictief moet worden uitgelegd.
Er moet volgens K sprake zijn van een impasse in de vennootschap.
Daarbij zijn uitsluitend gedragingen die direct verband houden met het functioneren van de aandeelhouder binnen de vennootschap relevant, aldus de advocaat van K.
De rechtbank stelt in dit kader voorop dat, zoals K ook heeft betoogd, uit de wetsgeschiedenis blijkt dat uitstoting op grond van artikel 2:336 e.v. BW pas aan de orde kan zijn als door het gedrag van de aandeelhouder het functioneren van de vennootschap in gevaar wordt gebracht, omdat de besluitvorming wordt verlamd.
Enkel hinderlijk of zelfs onaanvaardbaar gedrag van een aandeelhouder is op zichzelf nog geen reden om hem als aandeelhouder uit te stoten.
Het moet gaan om gedragingen van de aandeelhouder als zodanig.
Gedragingen die wel schadelijk zijn voor de goede naam en faam van de vennootschap, maar die niet direct verband houden met het functioneren van de aandeelhouder binnen de vennootschap, kunnen volgens de wetsgeschiedenis geen aanleiding zijn voor een vordering tot overdracht.
In de parlementaire geschiedenis is overwogen dat niet is gekozen voor de in de literatuur bepleite verruiming – dat voor uitstoting van een aandeelhouder vereist is dat de aandeelhouder zodanig in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW dat zijn aandeelhouderschap niet langer kan worden geduld – , omdat gedwongen overname van aandelen een verstrekkende maatregel is die alleen gerechtvaardigd is wanneer het functioneren van de vennootschap in gevaar is gebracht.
Ook tijdens de parlementaire behandeling van de Wet flexibilisering en vereenvoudiging bv-recht is aan uitbreiding van de uitstotingsgronden aandacht besteed, maar is wetsaanpassing op dit punt afgewezen.
De verwijten die L K maakt zullen in het licht van het voorgaande worden beoordeeld.
L heeft zich op het standpunt gesteld dat K opzettelijk schade aan L heeft berokkend, door bewust beslag te leggen onder belangrijke klanten van L, op een moment dat L – mede als gevolg van concurrentie door X via Visa Global – in zwaar weer was komen te verkeren.
De betreffende klanten waren in 2017 en 2018 verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de omzet van L, wat K als aandeelhouder (en voormalig bestuurder) van L bekend was.
K heeft bewerkstelligd dat de vorderingen van L op haar klanten tot een bedrag van € 280.000,00 werden bevroren, als gevolg waarvan L problemen ondervond met het (tijdig) betalen van haar leveranciers en personeel.
Door de beslagen is bovendien het imago van L als betrouwbare partner ernstig beschadigd en bleken de klanten een afwijzende houding aan te nemen wat betreft het verlenen van opdrachten aan L.
L heeft voorts aangevoerd dat K bekend was met andere, minder bezwarende beslagobjecten, zoals beslag onder L zelf op de bedragen die K uit hoofde van het vonnis van deze rechtbank van 5 juni 2019 aan L verschuldigd waren.
K heeft daar – in strijd met de in de Beslagsyllabus vermelde voorwaarden – echter bewust niet voor gekozen.
Wat betreft het door Meer Retail gelegde beslag kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat K Meer Retail heeft “ingefluisterd” dat beslag onder de betreffende klanten L het hardst zou treffen, aldus L.
K heeft betwist dat de belangen van L zijn geschaad door het treffen van de conservatoire maatregelen.
Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij binnen vierentwintig uur na het verkrijgen van vervangende zekerheid heeft ingestemd met opheffing van het conservatoire beslag.
L heeft ook niet onderbouwd dat L (imago)schade heeft geleden of problemen heeft ondervonden bij de (tijdige) betaling van haar leveranciers en personeel, aldus K.
Zij heeft voorts aangevoerd dat de door haar getroffen conservatoire maatregelen volledig terecht zijn gebleken.
Datzelfde geldt voor het door Meer Retail gelegde beslag, waarbij volgens K bovendien heeft te gelden dat niet relevant is dat zij aandeelhouder van Meer Retail is.
Volgens K waren er geen minder bezwarende beslagobjecten voorhanden en heeft zij ook op goede gronden de bodemprocedure over de hoogte van de rekeningcourantvordering, die heeft geresulteerd in het vonnis van 26 augustus 2020, kunnen starten.
Er was sprake van een af te wikkelen zakelijk geschil.
Daardoor werd L niet in haar functioneren belemmerd, aldus K.
De rechtbank is van oordeel dat op dit punt niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2:336 lid 1 BW.
Zoals ter zitting ook door L is erkend, gaat het hier niet om gedragingen van K die verband houden met haar functioneren binnen de vennootschap.
Het is, aldus L, buiten de vennootschap dat K “een dolk in de rug van L steekt”.
Zoals hiervoor is overwogen, is er gelet op de huidige wetgeving echter geen grond voor de door L betoogde verruiming van de uitstotingsregeling tot gedragingen van een aandeelhouder buiten de vennootschap.
Ook los van het voorgaande kan het doen leggen van conservatoir beslag onder opdrachtgevers van L niet worden aangemerkt als een gedraging die toepassing van de uitstotingsregeling zou kunnen rechtvaardigen.
Zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.7 en 2.10 bedoelde vonnissen, is in rechte vast komen te staan dat K en Meer Retail beschikten over een vordering op L die niet werd voldaan.
De rechtbank volgt L ook niet in haar standpunt dat (K had moeten onderzoeken of) er minder bezwarende beslagobjecten voorhanden waren (met betrekking tot de vorderingen van L uit hoofde van het vonnis van 5 juni 2019).
Nadat K het bestaan van de door L bedoelde alternatieve mogelijkheden voor beslaglegging gemotiveerd heeft betwist, is L daarop niet teruggekomen.
In rechte kan daarom niet worden uitgegaan van de juistheid van haar stellingen over beschikbaarheid van minder bezwarende beslagobjecten.
Een en ander brengt mee dat voor toewijzing van de vorderingen van L in zoverre geen grond bestaat.
L heeft voorts aangevoerd dat L bewust wordt gedwarsboomd door de concurrentie van Visa Global, die dezelfde diensten aanbiedt aan bestaande (en bij K bekende) klanten van L.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft L verwezen naar de door haar overgelegde producties, waaruit volgt dat door X op 27 juni 2020 aan een (voormalige) klant van Visa Global, die aankondigde te zullen overstappen naar L, een financieel rapport over L is toegezonden, waarin onder meer staat vermeld dat sprake is van “toegenomen zorgen om stabiliteit” en “grote kans op faillissement”.
L heeft tevens verwezen naar de door haar overgelegde e-mail van 10 juli 2020 van een medewerker van Visa Global aan een klant van L, waarin staat vermeld: “Als je aangeeft wat je bij L betaalt, of wat je maximaal wilt betalen , kan ik kijken of we dat kunnen matchen”.
Volgens L staan deze gevallen niet op zichzelf en zijn deze waarschijnlijk te verklaren door de slechte verstandhouding die tussen K en L is ontstaan na het ontslag van K als bestuurder van L.
De handelingen van K kwalificeren zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien als gedragingen die het belang van L schaden, aldus L.
K heeft zich op het standpunt gesteld dat de stellingen van L in dit kader niet ter zake doen, omdat op grond van de wetsgeschiedenis de gedragingen van een aandeelhouder die de vennootschap concurrentie aandoet niet relevant zijn in het kader van de uitstotingsregeling.
Bovendien is in een eerdere procedure al geoordeeld dat van onrechtmatige concurrentie geen sprake is geweest, aldus K.
Ook op dit punt kan niet worden geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten van artikel 2:336 lid 1 BW.
De door L gestelde gedragingen, wat daar ook van zij, betreffen het handelen van X.
Dat handelen is niet zonder meer toe te rekenen aan K en betreft in ieder geval geen handelen van K als aandeelhouder van L.
Ter zitting heeft X in dit kader desgevraagd verklaard dat hij weliswaar participeert in Visa Global, maar dat hij dit niet via K doet.
Opgemerkt wordt in dit kader nog dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat indien één van de aandeelhouders de vennootschap oneerlijke concurrentie aandoet (wat in het onderhavige geval, gelet op de betwisting daarvan door K, niet vaststaat), daaraan niet door toepassing van de geschillenregeling een einde kan worden gemaakt.
Ook kan voor een vordering tot uitstoting geen aanleiding zijn als, bijvoorbeeld door het ontstaan van concurrentieverhoudingen buiten de vennootschap om, de samenwerking met de andere aandeelhouders wordt verstoord, zolang althans het belang van de vennootschap niet op het spel staat.
Partijen zijn het erover eens dat in het onderhavige geval de besluitvorming niet wordt verlamd en het functioneren van de vennootschap niet in gevaar is.
L heeft in dit kader in haar spreekaantekeningen vermeld dat K zich binnen de vennootschap, dat wil zeggen in en rondom de algemene vergaderingen, weinig constructief opstelt, maar dat zij, mede gelet op de omvang van haar belang in de vennootschap, niet de besluitvorming frustreert of verlamt.
Ook in zoverre is er voor toewijzing van de vorderingen van L dan ook geen aanleiding.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat aandeelhouder over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.
Wilt u meer weten over aandeelhouders in het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.