De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 oktober 2020 uitspraak gedaan over de aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de aandeelhouders van een onderneming.
Eisers zijn van mening dat bestuurder A jegens hen aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, welke aansprakelijkheid voortvloeit uit zijn handelen (of nalaten) als bestuurder van de Beheermaatschappij.
Zij stellen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur met betrekking tot het gevoerde beleid in de Beheermaatschappij, onder meer omdat zij jarenlang niet zijn geïnformeerd over het reilen en zeilen van de Beheermaatschappij, de jaarstukken van de vennootschap niet zijn gedeponeerd en de jaarstukken van de Beheermaatschappij sinds het aantreden van A als bestuurder nooit door de algemene vergadering van aandeelhouders zijn goedgekeurd.
Door de onbehoorlijke taakvervulling van A is het vermogen van de Beheermaatschappij verdampt en valt hem persoonlijk een ernstig verwijt te maken, aldus de advocaat van eisers.
Eisers stellen voorts dat zij er belang bij hebben dat A rekening en verantwoording aflegt ten aanzien van het gevoerde beheer aangezien zij hierover nooit zijn geïnformeerd.
A heeft betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers en dat hij jegens hen gehouden is tot het afleggen van nadere rekening en verantwoording.
Ondernemingsrecht. Bestuurdersaansprakelijkheid. Aansprakelijkheid van bestuurder jegens aandeelhouders. Onbehoorlijk bestuur. Rekening en verantwoording?
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de vraag of gedaagde A op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens eisers moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 2:9 BW, die geldt voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon die door hem wordt bestuurd (Hoge Raad, 20 juni 2008, NJ 2009, 21, NOM/Willemsen, HR:2008:BC4959).
Dit betekent dat in onderhavig geval dezelfde hoge drempel geldt voor het aannemen van een uit onrechtmatige daad voortvloeiende aansprakelijkheid aan de zijde van A en dat aan hem een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt.
Eisers moeten daarvoor voldoende concrete feiten en omstandigheden stellen en (bij een gemotiveerde betwisting) voldoende onderbouwen.
De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aan deze stelplicht hebben voldaan.
De stellingen van eisers zijn deels feitelijk onjuist.
Er zijn jaarrekeningen van de Beheermaatschappij opgemaakt en eisers zijn hierover op de vergaderingen van aandeelhouders geïnformeerd.
A heeft notulen van de vergaderingen van aandeelhouders van de Beheermaatschappij in de periode van 2011 tot en met 2019 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat eisers aanwezig zijn geweest op de algemene vergaderingen van aandeelhouders en dat de jaarrekeningen op die vergaderingen zijn besproken.
Voorts blijkt uit die stukken dat de jaarrekeningen van de periode 2006 tot en met 2010 zijn goedgekeurd en dat over die jaren decharge is verleend.
In de periode na 2010 is binnen de algemene vergadering van aandeelhouders een patstelling ontstaan waarna de jaarstukken niet meer zijn goedgekeurd en ook geen decharge is verleend.
Uit de gang van zaken na 2010 volgen naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden die een ernstig verwijt aan de zijde van A opleveren.
Indien eisers van mening zijn dat aan de door A overgelegde stukken geen betekenis toekomt, hadden zij dat moeten stellen en onderbouwen.
Dat hebben zij niet gedaan.
De op de mondelinge behandeling ingenomen stelling zijdens eisers dat de notulen van 2011, 2012 en 2013 niet zijn ondertekend, is daarvoor onvoldoende, reeds omdat hiermee niet is weersproken dat eisers algemene vergaderingen van aandeelhouders hebben bijgewoond en dat er wel degelijk jaarstukken op die vergaderingen zijn goedgekeurd, namelijk tot en met 2010.
Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank aldus te weinig ingebracht tegen de gemotiveerde betwisting van A.
Dat in het verleden meerdere jaarstukken niet tijdig zijn gedeponeerd, maakt niet dat sprake is van onrechtmatig handelen van A als bestuurder jegens eisers als aandeelhouders.
Het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW, waarop eisers een beroep hebben gedaan, is in deze situatie niet van toepassing omdat dit artikel specifiek ziet op de situatie waarin een vennootschap failliet is verklaard.
Van een faillissement van de Beheermaatschappij is thans geen sprake.
Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat het bepaalde in artikel 2:248 BW analoog moet worden toegepast, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor geen aanleiding bestaat omdat een faillissement (waarin de curator op grond van het artikel soms een vordering kan instellen tegen een bestuurder) een wezenlijk andere situatie betreft dan het onderhavige geval (waarin geen sprake is van een faillissement en medeaandeelhouders een vordering uit onrechtmatige daad instellen tegen een bestuurder).
Uit de verdere stellingen van eisers volgt evenmin welk concreet onrechtmatig handelen of nalaten van A tot welke schade aan de zijde van eisers heeft geleid en waarin het ernstig verwijt is gelegen dat A hiervan kan worden gemaakt.
Gelet op het voorgaande is de gevorderde verklaring van recht niet toewijsbaar en daarom bestaat ook geen aanleiding voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Het door A gedane beroep op verjaring behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.
De vordering om A te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen van het beheer in en het bestuur van de Beheermaatschappij vanaf 20 juni 2000 kan evenmin worden toegewezen.
Het bestuur dient in beginsel verantwoording af te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders.
A heeft agenda’s en notulen van aandeelhoudersvergaderingen van de Beheermaatschappij uit de periode van 2011 tot en met 2019 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat eisers van het plaatsvinden van die vergaderingen op de hoogte zijn gesteld en dat eisers die vergaderingen hebben bijgewoond.
Eisers hebben voorts niet gesteld of onderbouwd dat A desgevraagd heeft geweigerd om relevante informatie aan hen te verstrekken.
Het standpunt van eisers dat A hen nooit op de hoogte heeft gehouden van het reilen en zeilen van de Beheermaatschappij acht de rechtbank gelet op het voorgaande onjuist.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.