De Rechtbank Amsterdam heeft op 18 november 2020 uitspraak gedaan over een vordering tot vernietiging van een vaststellingsovereenkomst.

De vrouw vordert de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden.

Voor het geval dit niet wordt aangenomen doet de vrouw een beroep op dwaling in de zin van artikel 3:196 lid 1 BW.

Contractenrecht. Vernietiging van een vaststellingsovereenkomst. Wilsgebrek. Dwaling. Waardebepaling van onroerend goed. Vernietiging van de verdeling?

De rechter oordeelt als volgt

De rechtbank stelt vast dat partijen om de vermogensrechtelijke gevolgen van het beëindigen van hun relatie te regelen, een overeenkomst met elkaar hebben gesloten.

De overeenkomst houdt een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW in als dat uitdrukkelijk wordt vermeld.

Ten aanzien van de waardebepaling van de onroerende zaken zijn partijen in artikel 1.4. van de overeenkomst overeengekomen dat de overeenkomst een vaststellingsovereenkomst is.

Ook in artikel 2.6 van de overeenkomst zijn partijen overeengekomen dat er sprake is van een vaststellingsovereenkomst.

Een vaststellingsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst in de zin van artikel 6:213 BW, ook indien ingevolge het bepaalde in artikel 7:901 BW voor het tot stand komen van de vaststelling geen nadere uitvoeringshandelingen zouden zijn vereist (Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 3, p. 36).

Een essentieel kenmerk van de vaststellingsovereenkomst is dat zij wordt gesloten ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil tussen partijen.

Hiervan is in deze zaak sprake.

Partijen hebben immers door middel van de vaststellingsovereenkomst de waardering en de verdeling van de gemeenschappelijke bezittingen willen regelen.

Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen zich jegens elkaar aan een vaststelling omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, ook voor zover deze toestand mocht afwijken van de tevoren tussen hen bestaande rechtstoestand (artikel 7:900 BW).

De vrouw beroept zich op de vernietigbaarheid van de overeenkomst vanwege een wilsgebrek als gevolg van bedreiging door de man dan wel misbruik van omstandigheden door de man.

Daarover overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 3:44, lid 2 BW is bedreiging aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen.

De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw tegenover de betwisting door de man onvoldoende onderbouwd gesteld dat er sprake is geweest van bedreiging.

Zo laat de vrouw na te stellen waaruit de bedreiging zou hebben bestaan.

Ook uit de overgelegde verklaring van de psychosociale- en hypnotherapeut van de vrouw kan niet een bedreiging door de man worden afgeleid.

De omstandigheid dat de vrouw onder stress en psychische spanning stond kan immers niet tot het oordeel leiden dat er sprake is geweest van een bedreiging als gevolg waarvan de vrouw bewogen is tot het ondertekenen van de overeenkomst.

Ingevolge 3:44, lid 4 BW is er sprake van misbruik van omstandigheden wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.

De vrouw beroept zich in dit kader met name op haar psychische toestand.

Daarbij gaat zij ervan uit – zo begrijpt de rechtbank – dat haar psychische toestand ten tijde van de voorbereiding en het sluiten van de overeenkomst zodanig slecht was dat zij niet in staat was om haar belangen te beoordelen.

De rechtbank volgt de vrouw ook hierin niet.

Uit de hiervoor genoemde brief van de therapeut kan zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden afgeleid dat de vrouw niet in staat was om haar belangen te beoordelen en haar wil te bepalen.

De vrouw heeft ook verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de psychische problemen waaraan zij ten tijde van de voorbereiding en het sluiten van het convenant leed tot gevolg hadden dat zij daartoe niet in staat was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in die periode geen sprake was van bijzondere omstandigheden, zoals een abnormale geestestoestand, die de vrouw tot het sluiten van de overeenkomst heeft bewogen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat wel vast dat de vrouw ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst instemde met de afspraken zoals deze zijn gemaakt.

Dat de vrouw achteraf meent dat zij benadeeld is, komt voor haar eigen rekening en risico.

Zij had zich immers voorafgaand aan de ondertekeningen kunnen laten adviseren.

Uit niets is gebleken dat de man haar belet heeft ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst juridische hulp in te schakelen.

Daarom slaagt ook haar beroep op misbruik van omstandigheden niet.

De rechtbank gaat daarbij voorbij aan het bewijsaanbod van de vrouw, omdat ook als de vrouw erin zou slagen haar stellingen ten aanzien van haar gemoedstoestand te bewijzen, dit niet tot een ander oordeel zou leiden.

Immers er is niet gesteld dat de man wist of moest begrijpen dat de vrouw door de haar gestelde bijzondere omstandigheden werd bewogen tot het aangaan van die vaststellingsovereenkomst.

Nu onvoldoende is gesteld om te komen tot een wilsgebrek, verwerpt de rechtbank het beroep van de vrouw op vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst.

De rechtbank komt dan tot beantwoording van de vraag of de overeenkomst vernietigd moet worden op grond van dwaling.

Artikel 3:196 BW bevat een bijzondere regeling voor de vernietigbaarheid van overeenkomsten over verdelingen wegens dwaling.

Op grond van artikel 3:196 lid 1 BW, voor zover hier van belang, is een verdeling vernietigbaar, wanneer een deelgenoot omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden heeft gedwaald en daardoor voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld.

Wanneer een benadeling voor meer dan een vierde is bewezen, wordt de benadeelde op grond van artikel 3:196 lid 2 BW vermoed omtrent de waarde van één of meer der te verdelen goederen en schulden te hebben gedwaald.

Uit artikel 1:196 lid 3 BW volgt dat om te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad, de goederen en schulden der gemeenschap worden geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling. Het tijdstip van verdeling is in het geval van partijen april 2019.

Dit betekent dat niet kan worden uitgegaan van de door de vrouw gestelde waarde van de woning van € 285.000,-, nu die waarde is vastgesteld op de marktwaarde in oktober 2019.

De rechtbank overweegt verder dat partijen bij een vaststellingsovereenkomst in beginsel geen beroep kunnen doen op dwaling ter zake van hetgeen waarover juist onzekerheid bestond.

De vaststellingsovereenkomst strekt immers ter voorkoming van onzekerheid of geschil.

De beslissing die krachtens de vaststelling is genomen, brengt zekerheid over een rechtsverhouding waarover partijen eerder in onzekerheid verkeerden.

Partijen kunnen (rechtens) niet dwalen over de onzekerheid die in de vaststellingsovereenkomst door zekerheid is vervangen (zie o.m. het arrest van de Hoge Raad van 15 november 1985, NJ 1986, 228).

De vrouw kan gezien al het vorenstaande geen geslaagd beroep op dwaling doen voor zover zij stelt dat zij over de waarde van de onroerende zaken heeft gedwaald.

Partijen hebben immers juist met het oog op de waarde van de onroerende zaken ter beëindiging van onzekerheid over de waarde afgesproken uit te gaan van de WOZ-waardes.

De vrouw kan wel beroep op dwaling doen voor zover het gaat om een zekerheid die in de vaststellingsovereenkomst tot uitgangspunt is genomen, als die zekerheid achteraf onjuist blijkt te zijn.

Uit artikel 1.4. van de overeenkomst blijkt dat tot uitgangspunt is genomen dat waardes van de onroerende zaken € 298.000,- en € 224.000,- zijn.

De vrouw heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat deze waardes niet juist zijn.

In ieder geval kan het door haar overgelegde taxatierapport niet als bewijs daarvan dienen, nu dit uitgaat van een latere peildatum voor de waardering.

Dientengevolge is geen sprake van een zekerheid die bij de vaststellingsovereenkomst tot uitgangspunt is genomen en die achteraf onjuist blijkt te zijn.

Het beroep van de vrouw op de vernietigingsgrond in artikel 3:196 BW slaagt dan ook niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, of over een vaststellingsovereenkomst, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het contractenrecht of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het contractenrecht en het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.