De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 24 juli 2020 uitspraak gedaan in kort geding over de opzegging van een vennootschap onder firma met twee vennoten.

Eiser is de vader van gedaagde.

Eiser en gedaagde zijn per 20 december 2012 de vennootschap onder firma V.O.F (hierna: de vof) aangegaan.

Eiser en gedaagde zijn de enige vennoten in de vof.

Voor de oprichting van de vof dreef eiser de onderneming als eenmanszaak, afwisselend als vennootschap onder firma met zijn echtgenote.

Op 20 november 2017 heeft eiser een brief overhandigd aan gedaagde waarin eiser de vof opzegt met ingang van 1 januari 2018 en aankondigt dat eiser de onderneming vanaf die datum als eenmanszaak zal voortzetten.

Op 19 december 2017 heeft gedaagde een brief verzonden aan eiser waarin gedaagde de vof opzegt per 1 januari 2018 en aankondigt dat gedaagde de onderneming per die datum zal voortzetten als eenmanszaak.

Vennootschapsrecht. Kort geding. Opzegging van een vennootschap onder firma met twee vennoten. Voortzetting bedrijf. Spoedeisend belang?

De rechter oordeelt als volgt.

De voorzieningenrechter zal de geschillen in hierna gezamenlijk behandelen, nu deze onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Een vordering is in kort geding toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter die vordering zal toewijzen en indien van de eisende partij niet kan worden gevergd dat deze de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

Gedaagde heeft als primair verweer aangevoerd dat van het spoedeisend belang van de vorderingen van eiser niet gebleken is.

Eiser heeft zich hiertegenover op het standpunt gesteld dat er wel spoedeisend belang is nu hij vreest voor zijn oudedagvoorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat zijn belang bij de voorzieningen zodanig spoedeisend is dat het oordeel van de bodemrechter over de ontbinding van de vof en de vraag wie de onderneming van de vof al dan niet mag voortzetten niet kan worden afgewacht.

Uit de door partijen overgelegde stukken en het door hen tijdens de mondelinge behandeling gestelde, blijkt immers dat partijen reeds jaren in dezelfde discussie verwikkeld zijn, over en weer verschillende keren hebben opgezegd, maar de samenwerking tot nu gecontinueerd hebben.

Eiser stelt dat hij de samenwerking nu echt wil beëindigen, maar dat is onvoldoende.

Niet gebleken is dat de verzochte voorzieningen op dit moment geen uitstel kunnen lijden of dat zonder voorlopige voorziening de exploitatie of continuïteit van de onderneming van de vof in gevaar komt of dreigt te komen.

Ook is niet gebleken dat eiser schade lijdt of zal lijden als de voorzieningen worden geweigerd.

Eiser heeft zijn stelling dat zijn oudedagvoorziening gevaar loopt zolang gedaagde van zijn bevoegdheden als vennoot gebruik maakt, op geen enkele manier concreet gemaakt.

Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat partijen beiden op het perceel, waar tevens de vof is gevestigd, woonachtig zijn, zodat de vordering van eiser tot een toegang- en terreinontzegging in kort geding in ieder geval niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, ziet de voorzieningenrechter niet in wat het spoedeisend belang van gedaagde is bij zijn vorderingen, zodat deze vorderingen om die reden al moeten worden afgewezen.

Ook echter in het geval aan beide partijen een spoedeisend belang zou toekomen, komen de gevraagde voorzieningen niet voor toewijzing in aanmerking.

De voorzieningenrechter licht haar oordeel als volgt toe.

Partijen twisten over de vraag wie de onderneming mag voortzetten als eenmanszaak na ontbinding van de vof.

Eiser en gedaagde hebben hun vennootschapsrechtelijke relatie niet schriftelijk vastgelegd zodat deze wordt beheerst door de wettelijke regels.

Een vennootschap onder firma wordt beheerst door de regels uit boek 7A van het Burgerlijk Wetboek (BW) (artikelen 7A:1655 tot en met 7A:1688 BW).

In artikel 7A:1683 onder 3 BW is bepaald dat een vennootschap onder firma wordt ontbonden door opzegging van de ene vennoot aan de andere vennoot.

Eiser en gedaagde hebben beiden meermaals de vof opgezegd, maar de vof daarna voortgezet.

Partijen verschillen van mening omtrent de gevolgen van de opzeggingen en over de vraag wie een zwaarder belang toekomt bij de voortzetting van de onderneming.

Opzegging is een eenzijdige rechtshandeling waarmee een vennoot aangeeft dat hij de vennootschappelijke samenwerking wil beëindigen.

In beginsel is bij een vennootschap onder firma die voor onbepaalde tijd is aangegaan, iedere vennoot bevoegd om de vennootschap op zeggen, en is de opzegging vormvrij.

Dit betekent echter niet dat een vennoot op ieder willekeurig moment de andere vennoot buiten spel kan zetten door middel van een opzegging.

Een opzegging van een vennoot betekent dat de opzeggende vennoot zijn eigen vertrek uit de vennootschap aankondigt.

Een opzegging bindt dan ook alleen de vennoot die opzegt en heeft geen werking, zoals partijen in deze zaak menen, jegens de andere vennoot, met de bedoeling om die andere vennoot buiten de vennootschap en de door haar gedreven onderneming te zetten.

Een dergelijke uitstoting is alleen mogelijk indien partijen dit uitdrukkelijk schriftelijk zijn overeengekomen.

Dat is hier niet gebeurd.

Bovenstaande betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat de opzeggingen van partijen in deze zaak niet de door hun gestelde gevolgen hebben.

Ter zitting en uit de naderhand ingediende correspondentie van de advocaten is wel gebleken dat geen van beide partijen nog met elkaar wil samenwerken.

Op de een of andere manier zal de samenwerking dan ook moeten worden beëindigd.

Indien beide partijen de wens hebben de onderneming als eenmanszaak voort te zetten, zal dit via de weg van de ontbinding van de vof bij de bodemrechter moeten plaatsvinden.

Eiser heeft daartoe inmiddels een dagvaarding opgesteld, maar hij heeft in dit kort geding onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om op die beslissing vooruit te kunnen lopen.

Daarvoor is bovendien nader onderzoek nodig, waar geen plaats voor is binnen het beperkte bestek van dit kort geding.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen in conventie en in reconventie in dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking komen en dat partijen de weg van een bodemprocedure dienen te bewandelen.

De vorderingen in zullen worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat aandeelhouder over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht of over een maatschap, éénmanszaak of een vennootschap onder firma belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.