Van onze advocaat aandeelhouder. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 februari 2019 uitspraak gedaan over de uitkoop van een aandeelhouder en de prijsbepaling van de aandelen bij de gedwongen overdracht.

A heeft zich op het standpunt gesteld dat de Ondernemingskamer zou moeten terugkomen van haar oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is B te veroordelen tot levering van zijn aandelen aan A tegen een prijs die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van A.

A heeft daartoe kort gezegd aangevoerd dat onduidelijk is op grond waarvan de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat de genoemde transacties onrechtmatig zijn en dat B dit ook niet heeft gesteld. Het is ook niet aan de Ondernemingskamer om onrechtmatigheid vast te stellen.

De in het tussenarrest geformuleerde uitgangspunten voor de waardering hebben geleid tot een waardering die in geen enkele verhouding staat tot de waarde van de aandelen op de peildatum hetgeen in strijd is met het door het EHRM geformuleerde uitgangspunt dat de uitkoopprijs reasonably related moet zijn tot de waarde van de aandelen op de peildatum.

In het kader van een uitkoopprocedure zou hooguit een vordering van S op A als bestuurder kunnen worden betrokken. Die vordering dient echter op nihil te worden gewaardeerd, reeds omdat deze is verjaard, aldus A.

B heeft voorts de hierboven weergegeven standpunten van A bestreden. In dat kader heeft B onder meer aangevoerd dat het door A genoemde rapport van B berust op onjuiste gegevens die door A waren verstrekt, dat uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat A vanaf 15 juli 2000 bestuurder was van Marketing Services N.V. en dat A zich als eiser niet kan beroepen op de afwijzingsgrond als genoemd in artikel 2:201a lid 4 BW.

Uitkoop van aandeelhouder. Veroordeling tot overdracht aandelen. Vaststelling van een redelijke en billijke prijs van de over te dragen aandelen.

De rechter oordeelt als volgt.

Anders dan B heeft aangevoerd is het niet ontoelaatbaar dat A zich in zijn memorie na deskundigenbericht op het standpunt heeft gesteld dat de Ondernemingskamer terug zou moeten komen van haar beoordeling in het tussenarrest. B heeft op dat betoog ook voldoende kunnen reageren, zowel in zijn daaropvolgende antwoordakte, als bij pleidooi.

Het oordeel in het tussenarrest dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is B te veroordelen tot levering van zijn aandelen aan A tegen een prijs die in sterke mate is beïnvloed door de benadelende handelingen van A, is een bindende eindbeslissing.

De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding daarvan terug te komen; het oordeel berust niet op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag (vgl. HR 25 april 2008, HR: 2008:BC2800). De

Ondernemingskamer overweegt daartoe als volgt.

De Ondernemingskamer stelt voorop dat, toegesneden op het onderhavige geval, bij de vaststelling van de uitkoopprijs als uitgangspunt geldt dat B recht heeft op een reële en redelijke vergoeding voor zijn aandelen, die op grond van artikel 1 Eerste Protocol EVRM ‘reasonably related to its value’ moet zijn en in de woorden van artikel 2:359c BW ‘billijk’, waarmee geen andere maatstaf wordt beoogd dan die van artikel 2:201a BW.

Deze maatstaf vergt in het onderhavige geval, zoals in het tussenarrest is geoordeeld, dat wordt voorkomen dat B wordt gedwongen zijn aandelen aan A te leveren tegen een prijs die in overwegende mate bepaald wordt door de benadelende handelingen van A als bestuurder en meerderheidsaandeelhouder van S. A miskent dat de formulering ‘reasonably related to its value’ daaraan niet aan in de weg staat en dat die formulering strekt tot bescherming van het eigendomsrecht van de uit te kopen minderheids-aandeelhouder en er niet toe strekt te voorkomen dat de uitkoper “te veel” zou moeten betalen.

In het tussenarrest ligt besloten dat de benadelende handelingen bij de vaststelling van de uitkoopprijs betrokken dienen te worden voor zover dat verenigbaar is met de aard en strekking van de uitkoopprocedure.

Mede gelet op het feit dat S thans slechts twee aandeelhouders heeft en ten tijde van de benadelende handelingen een beperkte kring van aandeelhouders, terwijl A steeds meerderheidsaandeelhouder en bestuurder was, ligt het voor de hand een parallel te trekken met de ratio van de billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW.

In geval van een vordering tot uittreding in het kader van de geschillenregelingsprocedure kan een billijke verhoging worden toegekend in verband met gedragingen van de andere aandeelhouders of van anderen indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven.

In het onderhavige geval acht de Ondernemingskamer het passend om bij het bepalen van de uitkoopprijs te voorkomen dat de prijs waartegen B gehouden is zijn aandelen over te dragen in overwegende mate wordt bepaald door de genoemde handelingen van A die hemzelf hebben bevoordeeld en B als minderheidsaandeelhouder hebben benadeeld.

Daaruit volgt dat de stelling van A dat een vordering tot schadevergoeding van S of B op A inmiddels is verjaard, niet ter zake dienend is, nog daargelaten dat de Ondernemingskamer in het tussenarrest reeds overwoog dat de deskundige dient te abstraheren van de omstandigheid dat S geen vorderingen tegen A heeft ingesteld of zal instellen.

De wijze waarop de Ondernemingskamer bij de vaststelling van de billijke uitkoopprijs rekening houdt met de benadelende handelingen, strekt niet tot (volledige) vergoeding van mogelijk door B geleden schade als gevolg van de benadelende handelingen.

De Ondernemingskamer beoogt slechts bij de vaststelling van de uitkoopprijs die benadelende handelingen in zodanige mate te betrekken dat de uitkoopprijs redelijk is.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurders of aandeelhouders in het ondernemingsrecht, over de geschillenregeling, over de uitkoop of uitstoting van aandeelhouders of over de vaststelling van een redelijke prijs van de over te dragen aandelen bij een uitkoop of uitstoot van een aandeelhouder, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.