Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Noord-Holland heeft op 6 maart 2019 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid bij het aangaan van een rekening-courantschuld.

Gedaagde heeft het verweer gevoerd dat RHBM Holding en gedaagde niet aansprakelijk zijn ex art. 2:9 jo 2:11 BW omdat geen sprake is van onbehoorlijk bestuur en hen ook overigens geen persoonlijk ernstig verwijt is te maken.

Bij de verdere beoordeling van de vordering van RHBM tegen gedaagde staat voorop dat art. 2:11 BW (inhoudende dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is) van toepassing is in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet.

Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op artikel 6:162 BW.

Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is.

Voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder geldt derhalve niet de aanvullende eis dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Uit de aard van de bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW volgt echter wel dat als een rechtspersoon-bestuurder aansprakelijk is op die grond, een bestuurder van die rechtspersoon-bestuurder aansprakelijkheid op grond van artikel 2:11 BW (alsnog) kan voorkomen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat hem persoonlijk geen ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gedragingen waarop de aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder is gebaseerd.

Deze bewijslastverdeling doet recht zowel aan de ratio van art. 2:11 BW als aan de vereisten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW.

Daarbij geldt bij de verdere beoordeling dat de omstandigheid dat niet in geschil is dat gehandeld is in strijd met statutaire bepaling die de rechtspersoon beoogt te beschermen (dat geen leningen worden aangegaan hoger dan de vrij uitkeerbare reserves), als een zwaarwegende omstandigheid worden aangemerkt, die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt. Het is dan aan de aangesproken bestuurder(s) om ter disculpatie feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepalingen niet een ernstig verwijt oplevert.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Aangaan van een rekening-courantschuld. Voorzienbaarheid. Decharge?

De rechter oordeelt als volgt.

Het gaat er in dit verband allereerst om of gedaagde van het aangaan van de lening een verwijt is te maken.

Ook bij de beantwoording van die vraag is vertrekpunt de vaststelling dat onvoldoende is bestreden dat de opzet van de financieringsstructuur was als hiervoor omschreven.

Onvoldoende gebleken is dat met het aldus opzetten van die structuur als zodanig enige regel van vennootschapsrecht werd overtreden.

Hierbij moet worden bedacht dat RHBM en RHBM destijds niet als derden tegenover elkaar stonden maar onderdeel uitmaakten van een groep.

Op een dergelijke situatie is de Beklamelnorm niet van toepassing: dit kan ook daarom niet omdat zowel het bestuur van RHBM Holding als die van de dochtervennootschap volledig op de hoogte waren van de aangegane leningen en verplichtingen die daaruit voortvloeiden.

Het bestuur van RHBM Holding en RHBM bestond (indirect) immers uit dezelfde persoon.

Het gaat er in een dergelijk concernverband om of RHBM Holding de belangen van haar dochter voldoende heeft betrokken bij het vormen en uitvoeren van haar (concern)beleid en of de dochter zelf voldoende voor die belangen opgekomen en de op haar rustende zorgplicht jegens háár derden voldoende invulling heeft gegeven.

Tegen deze achtergrond zijn voorts de volgende vaststellingen van belang.

Niet weersproken is:

-dat KPMG CF de financiering zeer goed haalbaar achtte

-dat sprake is van een financiering die door de kredietcommissie van Van Lanschot zorgvuldig is onderzocht

-dat de verhouding vreemd/eigen vermogen, gerelateerd aan de toen geldende maatstaven, allesbehalve onverantwoord was

-dat voor 2008 een behoorlijke omzetstijging met dito stijging van resultaten werd verwacht.

Van algemene bekendheid is verder dat de wereldeconomie door de bankencrisis die in september 2008 is uitgebroken in 2009 verzeild is geraakt in de ernstigste recessie sedert WOII.

Niet weersproken is dat ook de resultaten van RHBM daar flink onder hebben geleden.

Niet weersproken is verder dat RHBM ook in zwaar weer in staat is gebleken om wegvallende omzet in redelijke mate te herstellen en een positieve cash flow te handhaven.

Ook is niet weersproken dat de beweerd onrechtmatige onttrekkingen van cash flow aan RHBM ten behoeve van de rente en aflossing aan de bank er gedurende de gehele periode dat gedaagde bestuursverantwoordelijkheid heeft gedragen niet aan in de weg hebben gestaan dat alle handelscrediteuren van RHBM betaald zijn.

Die vaststelling sterkt de rechtbank in de gedachte dat de inschattingen die bij het aangaan van de financiering omtrent de toekomstige cash-flow van de onderneming zijn gemaakt, niet onrealistisch zijn geweest.

Daarbij was onderdeel van de constructie dat RHBM Holding na aflossing van de lening eind 2012 enige jaren geen aflossingsverplichtingen zou hebben, zodat vanaf dat moment de toekomstige cash-flow en meer in het algemeen de financiële situatie van RHBM sterk zou verbeteren.

Gegeven deze vaststellingen zijn de door gedaagde aangevoerde feiten en omstandigheden op grond waarvan zijn gewraakte handelen in strijd met de statutaire bepaling geen ernstig verwijt oplevert door RHBM volstrekt onvoldoende weersproken.

Daarmee komt het wat deze grondslag betreft aan op de vraag of gedaagde (of RHBM Holding), gegeven de jegens de bank aangegane verplichtingen, op enig later moment onbehoorlijk of ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

De verwijten die RHBM gedaagde in dit verband heeft gemaakt komen erop neer dat hij er de hand in heeft gehad dat door de onverantwoorde en onrechtmatige wijze waarop er stelselmatig en onverplicht gelden aan het vermogen van RHBM werden onttrokken een niet verhaalbare vordering van RHBM op RHBM Holding is ontstaan van circa € 6,2 mln.

Gelet op de financiële positie van RHBM waren deze onttrekkingen niet in het belang van RHBM en ontoelaatbaar.

De onttrekkingen waren bovendien van een zodanige omvang dat de continuïteit van RHBM daardoor ernstig in gevaar werd gebracht.

Daarbij is in november 2009 een nieuwe schuld aangegaan door RHBM met de bank (een geldlening van € 1.750.000,00), en kan RHBM Holding/gedaagde hiervan een verwijt worden gemaakt omdat dit een voorbeeld is van het voortzetten van het onverantwoord gevoerde beleid: de schuld is alleen aangegaan voor aflossing van de schuld van RHBM Holding aan de bank, aldus RHBM.

Dit geldt volgens haar des te meer omdat in 2009 binnen RHBM Holding bekend was dat sprake was van een technisch faillissementssituatie.

De rechtbank is van oordeel dat dit betoog miskent dat die onttrekkingen in de hiervoor omschreven op zichzelf rechtmatige- financieringsopzet nodig waren om de Holding de liquiditeit te verschaffen die haar in staat stelde de verplichtingen jegens de Bank te voldoen.

RHBM heeft niet gesteld dat RHBM Holding andere mogelijkheden had om die te voldoen en dat is ook niet aannemelijk.

Dat brengt mee dat voldoening van die verplichtingen (ook) in het belang van RHBM moet worden geacht, in ieder geval zolang die een gezonde onderneming dreef.

Bovendien zou er na 2012 een periode aanbreken (tot in 2015) dat er door RHBM Holding geen enkele aflossingsverplichting richting de bank zou bestaan, zodat de financiële positie van RHBM sterk zou verbeteren.

Onder deze feiten en omstandigheden levert het handelen in strijd met de statutaire bepalingen geen ernstig persoonlijk verwijt van gedaagde op.

Aangenomen moet verder worden dat dit tot de uitoefening van het pandrecht door de bank voortdurend het geval is geweest.

RHBM heeft niet betwist dat de cash flow steeds positief is geweest en dat handelscrediteuren normaal voldaan werden. Vermelding verdient in dit verband ook dat B, de auctor intellectualis van de onderhavige vordering, na zijn aantreden in 2012 niet met alternatieve scenario’s is gekomen.

Aangenomen moet ten slotte worden dat de continuïteitsproblemen plotseling en onverwacht zijn ontstaan.

De rechtbank kent in dit verband betekenis toe aan hetgeen onweersproken is gesteld omtrent de directe aanleiding voor de continuïteitsproblemen:

-een significant lagere EBITDA over 2007 dan voorafgaand aan de transactie door de verkoper aan RHBM Holding meegedeeld;

-een afwijzing van de ter zake door RHBM en RHBM Holding ingestelde vordering door de bodemrechter na een eerder gunstig kort geding vonnis, en toewijzing van een vordering in reconventie van ca 2,8 mln., uitvoerbaar bij voorraad;

-de abrupte opeising van de lening door de bank naar aanleiding van dit vonnis, terwijl deze pas in 2015 moest worden afgelost.

Dat betekent dat deze problemen voor gedaagde en RHBM Holding onvoorzienbaar waren, zodat zij daarop ook niet hebben kunnen anticiperen.

Toen het zover was, waren er geen alternatieven. RHBM Holding kan haar aandeelhouders niet verplicht stellen om een kapitaalinjectie te doen. RHBM heeft in haar processtukken ook geen reële alternatieven genoemd.

Het voorgaande brengt mee dat gedaagde zich ook wat betreft de gang van zaken na het aangaan van de lening voldoende heeft gedisculpeerd.

De slotsom is dat ook het subsidiaire verweer steekhoudend is. Mede gelet op de aard van de schade is tegenover betwisting door gedaagde onvoldoende gesteld om persoonlijke aansprakelijkheid zelfs maar als mogelijkheid in overweging te kunnen nemen.

Wilt u de gehele uitspraakbekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over onbehoorlijk bestuur of over hoofdelijke aansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.