Van onze advocaat aandeelhouder. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 28 november 2017 uitspraak gedaan over de uitkoop van een aandeelhouder en de prijsbepaling van de aandelen.

De advocaat van T heeft de vordering gegrond op artikel 2:201a BW. Nu tegen gedaagden verstek is verleend, dient de Ondernemingskamer op grond van het bepaalde in artikel 2:201a lid 3 BW ambtshalve te onderzoeken (i) of T als aandeelhouder voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van de onderneming D verschaft en ten minste 95% van de stemrechten van D in de algemene vergadering kan uitoefenen en (ii) of de vordering is ingesteld tegen de gezamenlijke andere aandeelhouders.

Uitkoop. Bezit aandeelhouder 95 % van de aandelen?

T heeft gesteld dat op de dag van dagvaarding het geplaatste kapitaal van D EUR 470.364,51 bedraagt en is verdeeld in 47.036.451 gewone aandelen (elk met een nominale waarde van EUR 0,01). D houdt 54.043 eigen aandelen.

T heeft ter ondersteuning van de stelling dat zij per datum van het uitbrengen van de dagvaarding ten minste 95% van het geplaatste kapitaal van D verschaft en 95% van de stemrechten kan uitoefenen overgelegd (kopieën van):

(1) de (doorlopende tekst van de) statuten van D zoals deze luiden na akte van statutenwijziging van 12 april 2017 waaruit onder meer blijkt dat de aandelen in D op naam luiden (artikel 4.1), dat de nominale waarde van het aandeel EUR 0,01 bedraagt (artikel 4.2) en dat elk aandeel recht geeft op één stem (artikel 23.1), alsmede de akten van statutenwijziging (inclusief de doorlopende tekst van de gewijzigde statuten) van 12 april 2017 en 31 december 2016;

(2) een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel betreffende D van 29 mei 2017, waarin is vermeld dat het geplaatste en gestorte kapitaal van D € 470.364,51 bedraagt;

(3) het aandeelhoudersregister van D,

(4) een verklaring van de “management board” van T van 23 mei 2017 waarin zij verklaart dat T 46.784.341 aandelen in D voor eigen rekening houdt en alle stemrechten kan uitoefenen;

(5) een “statement of the board” van D van 23 mei 2017 waarin het bestuur van D verklaart dat de statuten laatstelijk zijn gewijzigd op 12 april 2017, het aandeelhoudersregister is bijgewerkt en dat D 54.043 aandelen in zichzelf houdt;

(6) een verklaring van mr. M.A.J. C, notaris te Amsterdam, van 29 mei 2017

Bij de toets of T voor eigen rekening ten minste 95% van het geplaatste kapitaal in D verschaft en 95% van de stemrechten kan uitoefenen, tellen de 54.043 aandelen die D in haar eigen kapitaal houdt niet mee. Op grond van de overgelegde stukken, mede in onderling verband bezien, staat naar het oordeel van de Ondernemingskamer genoegzaam vast dat T op de dag van dagvaarding voor eigen rekening 46.611.101 aandelen van de in totaal (47.036.451 aandelen in het geplaatste kapitaal van D minus de 54.043 aandelen die D zelf houdt, is:) 46.982.408 bij deze toets mee te tellen aandelen in het geplaatste kapitaal van D hield, zijnde (afgerond) 99,6% van het aandelenkapitaal van D. Voorts is in artikel 23.1 van de ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding geldende statuten van D bepaald dat ieder aandeel recht geeft op één stem. Aldus verschafte T op de dag van dagvaarding ten minste 95% van de aandelen in het geplaatste kapitaal van D en kon zij evenveel stemmen uitoefenen in de algemene vergadering. De vordering is in zoverre deugdelijk.

Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt voorts dat eiseres alle gezamenlijke andere aandeelhouders (deugdelijk) heeft gedagvaard. T heeft, naast de in de kop van dit arrest genoemde gedaagden, tevens acht andere aandeelhouders gedagvaard, maar zij heeft de vordering jegens hen, nadat de zaak was aangebracht, ingetrokken omdat deze aandeelhouders hun aandelen (na uitbrengen van de dagvaarding) aan T hebben overgedragen. T heeft in dit kader de door haar met deze aandeelhouders gesloten koopovereenkomsten overgelegd waaruit genoegzaam blijkt dat de aandelen aan haar zijn overgedragen. Zij zijn derhalve geen aandeelhouder meer en de vordering jegens hen is dan ook terecht ingetrokken. De vordering is ook in zoverre deugdelijk.

Niet gebleken is dat aan de door gedaagden gehouden aandelen bijzondere rechten inzake de zeggenschap in de vennootschap zijn verbonden, een gedaagde ondanks de vergoeding ernstige stoffelijke schade zou lijden door de overdracht, of T jegens een gedaagde afstand heeft gedaan van haar bevoegdheid de hier aan de orde zijnde vordering in te stellen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan de vordering van T worden toegewezen en resteert de vaststelling van de door T te betalen prijs voor de over te dragen aandelen.

Uitkoop van aandeelhouder. Prijsbepaling van aandelen.

Als uitgangspunt in een uitkoopprocedure geldt dat de Ondernemingskamer de prijs van de aandelen vaststelt op de waarde die de aandelen op een gegeven peildatum hebben in het economische verkeer, dat wil zeggen de waarde die door de meestbiedende gegadigde zou worden betaald bij verkoop van die aandelen op de daarvoor meest geschikte wijze na de beste voorbereiding.

T vordert dat de Ondernemingskamer de prijs vaststelt op USD 2,86 per aandeel. Ter ondersteuning van de stelling dat dit – ook per de vast te stellen peildatum – een redelijke prijs is, verwijst T naar de door T Holding gesloten overeenkomsten op 30 december 2016 en naar de nadien door T betaalde prijs voor de nieuw verworven aandelen op 31 december 2016 en 27 februari 2017.

De Ondernemingskamer acht zich op grond van de overgelegde stukken (waaronder die met betrekking tot de genoemde transacties) onvoldoende voorgelicht om de prijs vast te stellen op de het door T gevorderde bedrag van USD 2,86 per aandeel. T heeft geen nadere informatie verschaft over de genoemde overeenkomst van 22 november 2016 met het overgrote deel van de toenmalige aandeelhouders en heeft die overeenkomst niet in het geding gebracht.

In het bijzonder ontbreekt informatie over de wijze waarop de prijs destijds tot stand is gekomen, over de mate waarin het aandelenbezit destijds was verspreid, de hoedanigheid van de toenmalige aandeelhouders en hun eventuele betrokkenheid bij T dan wel D, zowel voorafgaand aan de transactie als nadien. Dergelijke informatie is ten minste vereist om te kunnen beoordelen of de op 30 december 2016 betaalde prijs een adequate weerspiegeling is van de waarde van de aandelen (vgl. OK 4 april 2017, GHAMS:2017:1203 (Royal Reesink)). Dat deze prijs vervolgens ook is gehanteerd bij de emissie van aandelen op 31 december 2016 en de overeenkomsten tot overdracht van aandelen op en na 27 februari 2017 biedt op zichzelf onvoldoende houvast om de uitkoopprijs vast te stellen op USD 2,86.

De Ondernemingskamer overweegt dat zij eerst tot zelfstandige prijsvaststelling in staat kan zijn nadat zij de beschikking heeft gekregen over (kopieën van) de ondertekende versie van de door T Holding gesloten overeenkomsten, gegevens betreffende de hoedanigheid van de toenmalige aandeelhouders die hun aandelen aan T Holding hebben verkocht en de mate van verspreiding van het aandelenbezit destijds, een onderbouwing van de destijds geboden prijs, alsook de geconsolideerde jaarrekeningen van D van de afgelopen drie boekjaren. De Ondernemingskamer zal T in de gelegenheid stellen deze informatie in het geding te brengen.

De Ondernemingskamer stelt de peildatum vast op 30 december 2016, zijnde de (eerste) dag waarop T ten minste 95% van het geplaatste aandelenkapitaal in D hield.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de geschillenregeling in het ondernemingsrecht, over de uitkoop of uitstoting van aandeelhouders of over de prijsbepaling van aandelen bij de uitkoop of uitstoot van aandeelhouders, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.