Van onze advocaat aandeelhouder. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 29 november 2017 uitspraak gedaan over een bestuurder (minderheidsaandeelhouder) van een vennootschap die de advocaatkosten door de vennootschap heeft laten betalen. Vennootschap vordert terugbetaling van deze kosten. Sprake van ernstig verwijtbaar handelen door de bestuurder? Interne bestuurdersaansprakelijkheid. Overwegingen ter zake vereenzelviging van aandeelhoudersbelang met belang vennootschap..

Vast staat dat eiseres facturen met een totaal van € 24.835,23, een factuur van € 6.050,00 alsmede de proceskosten in kort geding van € 1.424,00 heeft betaald.

De advocaat van eiseres heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de in rekening gebrachte kosten zijn gemaakt in het kader van de gevoerde kort geding procedure in 2014. Die kosten, evenals de proceskostenveroordeling die toen is uitgesproken, moeten door gedaagde betaald worden. Ter onderbouwing van deze stelling wijst eiseres op rechtsoverweging van het kort geding vonnis van 3 oktober 2014. Nu daarin is geoordeeld dat enkel de aandeelhouders de vordering konden instellen, zijn het ook die aandeelhouders die de kosten van de procedure moeten dragen, aldus de advocaat van eiseres. Eiseres heeft deze kosten berekend op € 24.835,23 aan facturen B Advocaten B.V., € 1.424,00 aan proceskosten kort geding.

Door dit bedrag ten laste te brengen van de vennootschap, hebben gedaagde en B.V. onrechtmatig gehandeld. Eiseres wenste de aldus ten onrechte in rekening gebrachte kosten te verrekenen met het nog uit te betalen salaris van gedaagde. Bij brief van 28 januari 2015 is aan gedaagde medegedeeld dat bij niet betaling eiseres de helft van het bedrag zal worden verrekend met zijn salarisbetaling/eindafrekening van januari 2015. Desondanks heeft gedaagde op 28 januari 2015 opdracht gegeven aan eiseres om ten gunste van hem een salarisbetaling uit te voeren van € 16.412,64. Dit acht eiseres (ook) onrechtmatig, althans heeft gedaagde zich aldus ongerechtvaardigd verrijkt.

De kantonrechter stelt vast dat eiseres gedaagde aan spreekt op grond van onrechtmatig handelen als bestuurder van eiseres, door de bewuste facturen ten laste te brengen van de vennootschap. Beoordeling van deze stelling dient daarom plaats te vinden aan de hand van artikel 2:9 BW dat de bestuurder aansprakelijk stelt voor onbehoorlijk bestuur, indien aan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt (artikel 2:9, tweede lid BW).

Gelet op het uitgebreide verweer van gedaagde, inhoudende – kort gezegd – dat het geoorloofd was de facturen door de vennootschap te laten betalen, zal de kantonrechter eerst dit bespreken.

Het verweer van gedaagde begrijpt de kantonrechter zo, dat zijn stelling is dat zijn belangen als minderheidsaandeelhouder zo is verweven, althans op één lijn ligt, met het belang van eiseres, als vennootschap, dat dit moet betekenen dat de advocaatkosten die zijn gemoeid met het juridisch dispuut ter zake dat gezamenlijk belang, voor rekening van eiseres moeten komen.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Sprake van ernstig verwijtbaar handelen door de bestuurder? Interne bestuurdersaansprakelijkheid? Vereenzelviging van aandeelhoudersbelang met belang vennootschap?

Aan de orde is dus de vraag of het aandeelhoudersbelang, in het bijzonder hier: het minderheidsaandeelhouderbelang van gedaagde in dit geval gelijk te stellen is met het vennootschappelijk belang van eiseres. Gedaagde kan worden gevolgd in zijn opvatting dat, zij het onder omstandigheden, het aandeelhoudersbelang voor een aanzienlijk deel kan samenvallen met het vennootschapsbelang. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien een onderneming die door de besloten vennootschap wordt gevoerd, feitelijk wordt gevoerd door de directeur, (enig en grootaandeelhouder. De kantonrechter vindt voor deze opvatting steun in de memorie van toelichting bij de wet Flexibilisering B.V.-recht (Kamerstukken II 2006/07, 31058, 3, p.3).

“Het belang van de vennootschap vereist dat in de besluitvorming tevens de belangen van andere partijen die bij de vennootschap zijn betrokken worden meegewogen, zoals werknemers, afnemers en leveranciers. Ook in het herziene B.V.-recht blijft het belang van de vennootschap onverminderd gelden. Wel zal de grotere flexibiliteit die de wet gaat bieden aan de oprichters en aandeelhouders de invulling van dit begrip kleuren. Bij kleine vennootschappen met een beperkt aantal aandeelhouders zal het vennootschappelijk belang dichter liggen bij het belang van de aandeelhouders dan bij een grote vennootschap met veel werknemers en maatschappelijke belangen.”

Echter, de situatie van de directeur-groot aandeelhouder, verschilt sterk van die waar het in deze procedure om gaat. Hier is sprake van een situatie waarin de besloten vennootschap een dochter is en zijn er werknemers werkzaam in de onderneming die door de vennootschap wordt gevoerd. Dat maakt dat de vennootschap ook rekening dient te houden met die belangen.

Dat kan er toe leiden dat beslissingen die de vennootschap als zodanig raken, kunnen zijn ingegeven door beleid van de moeder en door inzichten binnen het concern voor wat betreft de allocatie van mensen en middelen. Zo stelt eiseres in dit geval dat de onderneming een internationale herstructurering wilde doorvoeren, als gevolg (mede) waarvan de onderneming V Nederland moest worden geliquideerd. Indien en voor zover daar andere motieven aan te grondslag zouden liggen zijn die in deze procedure niet, althans onvoldoende, vast komen te staan.

Nog afgezien van deze omstandigheid, acht de kantonrechter ook van belang het feit dat gedaagde een minderheidsbelang vertegenwoordigd. Dat maakt dat dat belang, zo mogelijk nog moeilijker te vereenzelvigen valt met dat van de vennootschap. Het enkele feit dat gedaagde het behoud van de vennootschap voor ogen heeft, en de onderneming de vennootschap wil liquideren, maakt niet dat het belang van gedaagde (als aandeelhouder) is te vereenzelvigen met dat van de vennootschap. Immers, zo volgt uit het voorgaande, kunnen andere belangen nopen tot andere beslissingen, mogelijk zelf tot liquidatie van de vennootschap waarbij de ondernemingsactiviteiten worden ondergebracht bij andere (bestaande of nieuw op te richten) vennootschappen.

In het licht van de beoordelingsmaatstaf van artikel 2:9 BW, tweede lid, kan uit het voorgaande echter niet de conclusie worden getrokken dat gedaagde ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door de facturen te laten betalen door de vennootschap. Hierbij speelt een rol dat het een procedure een kort geding betrof waarin een voorlopig oordeel is gegeven. Anders gezegd: kosten ten laste brengen van de vennootschap in verband met een procedure die het oogmerk heeft om te voorkomen dat de vennootschap wordt geliquideerd, kan niet zondermeer als onbehoorlijk bestuur worden aangemerkt, ook al is die procedure, begeleid door een advocaat, in kort geding niet succesvol. Dit geldt voor zowel de facturen indien beide facturen zien op kosten van de kort geding procedure. Dit betekent dat de stelling van eiseres dat gedaagde als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld, geen stand houdt. Aldus had eiseres geen recht op verrekening jegens gedaagde.

Vergoeding volledige advocaatkosten?

Nu eiseres in het ongelijk is gesteld, wordt zij in de proceskosten aan de zijde van gedaagde veroordeeld. De kantonrechter ziet geen aanleiding eiseres tot betaling van de werkelijke kosten te veroordelen.

Volgens vaste jurisprudentie is slechts in bijzondere gevallen vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten aangewezen. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven.

Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over aandeelhouders in het ondernemingsrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid en onbehoorlijk bestuur of over vereenzelviging in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.