Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Gelderland heeft op 11 oktober 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid (artikelen 6:162, 2:9 BW en 2:11 BW). Hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders. Heeft de (middellijk) bestuurder zijn taak onbehoorlijk vervuld?

Onbehoorlijk bestuur?

Vast staat dat gedaagde in de periode van september 2005 tot eind maart 2016 enig statutair bestuurder van H5 en indirect bestuurder van H is geweest. H5 en H stellen dat in die periode sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur door gedaagde. Zij betogen dat B als medebeleidsbepaler met gedaagde als bestuurder moet worden gelijkgesteld.

Gedaagde en B betwisten dat B het beleid (mede) heeft bepaald of zich heeft beziggehouden met het bestuur. Zij voeren aan dat H5 en H niets hebben gesteld of onderbouwd waaruit zou moeten blijken dat B medebeleidsbepaler was. Voor zover H5 en H zich in dit verband beroepen op de managementovereenkomst tussen H5 en B, geldt volgens gedaagde en B dat die overeenkomst “betrekking heeft op de werkzaamheden van B als aandeelhouder in de vennootschap”, en niet op de positie van statutair bestuurder van gedaagde. Ook overigens hebben H5 en H niet onderbouwd op grond waarvan B jegens hen aansprakelijk zou zijn, aldus de advocaat van gedaagde en B.

 Dit verweer van gedaagde en B slaagt. H5 en H hebben hun stelling dat B als medebeleidsbepaler met gedaagde 1 als bestuurder moet worden gelijkgesteld niet onderbouwd. Ter zitting hebben H5 en H in dit verband betoogd dat gedaagde formeel bestuurder was, maar dat hij zijn werkzaamheden verrichtte ter uitvoering van de managementovereenkomst tussen H5 en B. De managementovereenkomst bepaalt in artikel 1.4 dat B ervoor instaat dat gedaagde onder meer de statuten van de vennootschap zal naleven. Nu dit niet is gebeurd, schiet B toerekenbaar tekort jegens H5 en is B naast gedaagde aansprakelijk voor de door H5 – rechtstreeks en via H – geleden schade, aldus H5 en H ter zitting. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen nadere onderbouwing van de stelling dat B medebeleidsbepaler is, maar een nieuwe grondslag van de vordering, namelijk een toerekenbare tekortkoming van de garantiebepaling van artikel 1.4 van de managementovereenkomst. H5 en H hebben deze nieuwe grondslag echter onvoldoende uitgewerkt. Met name hebben zij niet geconcretiseerd en onderbouwd welk deel van de statuten gedaagde niet zou hebben nageleefd. Daarmee zijn beide grondslagen voor de aansprakelijkheid van B onvoldoende onderbouwd. Voor zover de vorderingen zijn ingesteld tegen B, zullen zij dan ook worden afgewezen. In het navolgende zal de rechtbank alleen de vorderingen beoordelen voor zover zij zijn gericht tegen gedaagde.

De advocaat van gedaagde betoogt verder dat in de dagvaarding het onderscheid tussen H5 en H in feite is genegeerd, zodat eigenlijk alle stellingen namens de beide vennootschappen worden ingenomen. Verder voert hij aan dat niet is gesteld op welke grond H5 en H menen dat H naast H5 een vordering zou kunnen hebben op gedaagde was immers alleen bestuurder van H5 en niet van H.

De rechtbank overweegt dat in de dagvaarding inderdaad geen duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de beide vennootschappen. Aan de hand van het feitencomplex zijn de diverse verwijten die H5 en H aan gedaagde maken, en die in het navolgende aan de orde zullen komen, echter wel degelijk terug te voeren op hetzij H5, hetzij H. Als indirect bestuurder van H kan gedaagde in beginsel ook aansprakelijk worden gehouden voor de schade van die vennootschap. In de eventuele schadestaatprocedure zal nader aan de orde komen welke schade is geleden door H5 en welke schade door H. Het verweer van gedaagde op dit onderdeel wordt verworpen.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Behoorlijke taakvervulling. Hoofdelijke aansprakelijkheid. Heeft (middellijk) bestuurder zijn taak onbehoorlijk vervuld?

H5 en H baseren hun vorderingen op gedaagde op artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad) juncto artikel 2:9 BW.

Artikel 2:9 BW bepaalt dat de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Indien de bestuurder zijn taak niet behoorlijk vervult, kan hij onder omstandigheden jegens de vennootschap aansprakelijk zijn voor de door de vennootschap geleden schade. Er moet sprake zijn van een ernstig persoonlijk verwijt aan de bestuurder. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

H5 heeft zes aandeelhouders – B en vijf andere rechtspersonen – die elk een zesde deel van de geplaatste aandelen houden. Ter zitting is nader toegelicht dat het werk in de onderneming feitelijk wordt verricht door de (bestuurders van de) aandeelhouders, die specialistisch (advies)werk verrichten voor opdrachtgevers in de energiebranche. Daarnaast is er personeel in dienst: vier technici en twee administratieve krachten. Alle inkomsten vloeien in de onderneming. De (bestuurders van de) aandeelhouders ontvangen elk eenzelfde management fee. Iedereen werkt wekelijks vijf dagen van acht uur. Er bestaan afspraken over de vakantie-uren, die erop neerkomen dat iedereen recht heeft op zestien vakantiedagen per jaar en daarnaast op compensatie van overuren (tijd voor tijd). Daarvan wordt een registratie bijgehouden. Gedaagde heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder dus beschikt over gelden die in gelijke mate toekwamen aan alle aandeelhouders.

H5 en H verwijten gedaagde onder meer dat hij zonder dat daarvoor een grond bestond alle gerechtelijke kosten, waaronder advocaatkosten, van E in diens juridische strijd tegen V heeft betaald namens H5. Vast staat dat gedaagde zonder overleg met de overige aandeelhouders heeft beslist dat H5 de kosten van de arbitrageprocedure van E zou dragen en dat hij zonder overleg met de aandeelhouders ook daadwerkelijk namens H5 is overgegaan tot betaling van die kosten, ten bedrage van € 168.563,72.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde daarmee de grenzen van een behoorlijke taakvervulling overschreden. De statuten van H5 boden hem die ruimte niet. Het gaat hier voorts om geld dat toekomt aan alle aandeelhouders en bovendien om kosten die vallen buiten de normale bedrijfsvoering van H5. Gedaagde had dan ook open kaart moeten spelen en zijn voornemen om H5 deze kosten voor E te laten betalen moeten voorleggen aan zijn medeaandeelhouders. Dat er, zoals H5/H op zichzelf niet heeft weersproken, binnen H5 sprake was van een informele sfeer en dat beslissingen binnen H5 op informele wijze werden genomen, maakt dit niet anders. Ook de omstandigheid dat H5 (bestuurder E) actief ondersteunde kan hierin geen verandering brengen, zelfs niet indien ook het belang van H5 met het voeren van de procedure tegen V zou zijn gediend, hetgeen gedaagde stelt, maar H5/H betwist. Dat het in de ogen van gedaagde een verstandige keuze was om K juridische kosten te betalen, neemt op zichzelf niet weg dat hij daarover eerst had moeten overleggen met zijn medeaandeelhouders.

Feit blijft dat het gaat om aanzienlijke kosten die buiten de normale bedrijfsvoering vallen en om geld dat aan alle aandeelhouders toekomt. Daarbij komt dat het in strijd is met artikel 16 lid 2 sub j van de statuten van H5 om rechtsgedingen te voeren zonder toestemming van de algemene vergadering van aandeelhouders. Gedaagde voert verder nog als verweer aan dat de kosten voor de juridische procedures zijn opgenomen in de jaarrekening van 2014 en dat deze jaarrekening unaniem is goedgekeurd en vastgesteld. De goedkeuring van de jaarrekening wil echter op zichzelf nog niet zeggen dat ook uitdrukkelijk is ingestemd met de betreffende betalingen als zodanig aan bestuurder E. Het verweer van gedaagde ten aanzien van de juridische kosten van bestuurder E wordt verworpen.

H5 en H verwijten gedaagde verder dat hij namens H5 diverse geldleningen heeft verstrekt aan bestuurder E en gedaagde 2. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. Het gaat ook hier om geld dat aan de medeaandeelhouders toekomt. Volstrekt onduidelijk is gebleven op welke wijze deze leningen in het belang van H5 zouden zijn. De leningen zouden worden kwijtgescholden als het plofpijpproject geen doorgang meer zou vinden, terwijl in de overeenkomsten niet is opgenomen wat er zou gebeuren indien het project een succes zou worden. Gedaagde heeft daarover ter zitting desgevraagd uitsluitend verklaard dat “de vruchten zouden worden geplukt” en dat dit zou zijn gegarandeerd door een persoonlijke belofte daartoe van bestuurder E, maar dat nog onduidelijk was op welke manier de aandeelhouders die vruchten dan zouden plukken. In de leningsovereenkomsten is niets vastgelegd over bijvoorbeeld aandelen in het project of een aanspraak op een deel van de winst, terwijl dit bepaald voor de hand had gelegen nu immers de lening niet behoefde te worden terugbetaald indien het plofpijpproject geen doorgang meer zou vinden.

Geen redelijk denkend (bestuurder van een) geldgever zou akkoord gaan met het verstrekken van een lening die wordt kwijtgescholden indien het project – ten behoeve waarvan het geld is geleend en waarvoor de geldlener als adviseur (mede)verantwoordelijk is – geen doorgang meer zou hebben, terwijl de beloning, ingeval van het wel slagen van dat project, niet is vastgelegd en afhankelijk is van een niet nader ingevulde persoonlijke belofte van de geldlener.

Verder verwijten H5 en H gedaagde dat hij de geldleningen zonder goedkeuring van de algemene vergadering – zoals vereist in artikel 16 lid 2 van de statuten van H5 – heeft verstrekt. De rechtbank overweegt hierover dat ten aanzien van de eerste lening, van 28 januari 2014, ter zitting uit de verklaring van bestuurder H5 duidelijk is geworden dat gedaagde hem daarover in mei 2014 – dus achteraf – heeft geïnformeerd. Bestuurder H5 heeft op de comparitie verklaard dat de betreffende leningsovereenkomst hem toen deels is voorgelezen en dat hij – dus achteraf – met de lening akkoord is gegaan onder de voorwaarde dat de lening vóór het eind van dat jaar zou zijn terugbetaald. Volgens bestuurder H5 heeft gedaagde hem toen verzekerd dat de lening inderdaad eind 2014 zou zijn terugbetaald. Van de overige leningsovereenkomsten was bestuurder H5 niet op de hoogte. Gedaagde meent kennelijk dat de aandeelhouders in 2016 bekend waren met de leningen, nu hij de geldleningovereenkomsten tijdens de aandeelhoudersvergadering van 31 maart 2016 heeft besproken en deze bij de aandeelhoudersvergadering van 27 juni 2016 aan hen heeft overhandigd. Dit is echter ruim na het verstrekken van de leningen tussen januari 2014 en januari 2016 zodat daarmee nog geen sprake is van een tijdig overleg over het aangaan daarvan.

Het komt er dus op neer dat gedaagde geldleningen op onzakelijke voorwaarden zonder voorafgaand overleg met en zonder instemming van de medeaandeelhouders namens H5 aan bestuurder E en gedaagde 2 heeft verstrekt. Hij heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 16 lid 2 sub c van de statuten. Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat gedaagde, door de geldleningen aan bestuurder E en gedaagde 2 volledig buiten de aandeelhouders om en tegen zulke ongunstige voorwaarden te verstrekken, buiten de grenzen van een behoorlijke taakvervulling is getreden.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat gedaagde heeft gehandeld in strijd met de statuten. Van dit handelen kan gedaagde een ernstig verwijt worden gemaakt. Er is dus sprake van onbehoorlijk bestuur.

Gedaagde is dan ook in beginsel gehouden de schade te vergoeden die H5/H als gevolg daarvan heeft geleden. Op grond van hetgeen H5/H naar voren heeft gebracht, acht de rechtbank aannemelijk dat H5/H als gevolg van het handelen van gedaagde schade heeft geleden. Daarmee is voldaan aan het criterium voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, zoals door H5/H gevorderd.

Voor toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding, zoals eveneens door H5/H gevorderd, bestaat echter geen grond. Niet kan worden uitgesloten dat H5/H ook kosten zou hebben gemaakt indien zij wel door gedaagde over zijn handelen zou zijn geïnformeerd – de eigen belangen van H5/H waren immers met dat handelen gemoeid – en in het kader van de onderhavige procedure is het debat daarover nog niet gevoerd. Evenmin is duidelijk of en in hoeverre bestuurder E bereid en in staat is om de door H5/H gemaakte kosten te vergoeden en de hem verstrekte leningen terug te betalen. Die discussie zullen partijen in de schadestaatprocedure moeten voeren. De vordering sub 3, die strekt tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding, zal dan ook worden afgewezen.

De vorderingen sub 1 (verklaring voor recht ten aanzien van bestuurdersaansprakelijkheid) en sub 2 (veroordeling tot schadevergoeding) zijn wel toewijsbaar, echter met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de vakantie-uren. Hetgeen partijen in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid meer of anders hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, over de behoorlijke taakvervulling van bestuurders of over hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.