Van onze advocaat contractenrecht. De Rechtbank Limburg heeft op 15 februari 2018 uitspraak gedaan over de rechtsgevolgen van een verdeling van een gemeenschap door de rechter voor de deelgenoten in een rechterlijke procedure.

Eiser heeft verder ter kort gedingzitting (onder andere) betoogd dat zijn broer niet in staat was en is om uitvoering te geven te geven aan de door het hof gemaakte verdeling, dat het Hof bij die verdeling is uitgegaan van een te lage waarde van de panden en dat (daarom) de peildatum niet is te handhaven.

Eiser stelt dat de verdeling, zoals die door het Hof is gedaan, in rechte nog kan worden aangetast.

De stellingen van eiser impliceren dat de gemeenschap weliswaar verdeeld is, maar dat die verdeling in rechte nog niet vast staat.

Rechtsgevolgen van een verdeling van een gemeenschap door de rechter voor de deelgenoten in een rechterlijke procedure. Onroerend goed.

De rechter oordeelt als volgt.

In de literatuur en rechtspraak is het inmiddels een uitgemaakte zaak dat de rechter bevoegd is de verdeling van een gemeenschap vast te stellen in die zin dat de rechter verdeelt.

Dat is precies wat het hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 28 april 2015 heeft gedaan. De vier panden zijn toegedeeld aan de broer. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om dit oordeel van het Hof te casseren. De voorzieningenrechter moet er dan ook – anders dan eiser betoogt – vanuit gaan dat – hoewel het arrest van 28 april 2015 formeel is vernietigd en het geschil voor behandeling en beslissing is verwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden – dit laatste gerechtshof niet anders zal kunnen beslissen dan het hof ‘s-Hertogenbosch op 28 april 2015 bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest heeft gedaan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor het beslissen van het onderhanden geschil tussen eiser en de broer van belang is het antwoord op de vraag of bij die verdeling van de gemeenschap door de rechter ook de levering van de registergoederen heeft plaatsgevonden.

In de literatuur wordt deze opvatting bepleit, maar deze kwestie is nog niet met zoveel woorden uitdrukkelijk in de rechtspraak beslist (Asser-Perrick, Vermogensrecht algemeen, deel V, Gemeenschap, 3de druk, 2015, § 7.10.IV).

Als deze vraag negatief moet worden beantwoord dan is van belang het antwoord op de vraag of de verdeling door de rechter tot gevolg heeft dat de rechten en plichten die samenhangen met het registergoed, en bijvoorbeeld ook het risico van tenietgaan van het registergoed vóór de levering, per peildatum (in casu 28 april 2015) al rusten op degene aan wie de panden zijn toegedeeld.

Als deze vraag ook negatief moet worden beantwoord, is sprake van één vorderingsrecht van de deelgenoten gezamenlijk.

Eiser is dan bevoegd een rechtsvordering in te stellen ten einde een rechterlijke uitspraak te verkrijgen ten behoeve van de (gehele) gemeenschap, zoals bedoeld in artikel 3:171 Rv.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad (HR:2017:411, Hoge Raad) volgt dat de broer in dat geval op voet van artikel 118 Rv in het geding betrokken moet worden.

Het antwoord op genoemde vragen gaat vooraf aan een rechterlijk oordeel over de vordering van eiser jegens zijn broer.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser in strijd met artikel 21 Rv bij dagvaarding niet de volledige feiten heeft aangevoerd.

Niet alleen is de inhoud van de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad niet naar voren gebracht, maar deze is ook niet voorzien van een (juridische) duiding.

Eiser heeft tevens nagelaten inzicht te geven in de positie van de (voormalig) deelgenoot in de (verdeelde) gemeenschap.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser zijn broer als partij had moeten betrekken in de procedure, als bedoeld in artikel 118 Rv, omdat zijn stelling is dat de gemeenschap nog bestaat.

Uit in ieder geval het kennelijk feitelijk handelen van de broer had eiser de conclusie moet trekken dat deze die stellingname niet zonder meer deelt.

De vordering moet om die redenen worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over de uitleg van een contract of de tenuitvoerlegging van een vonnis, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.