Van onze advocaat aandeelhouder. De Rechtbank Rotterdam heeft op 14 februari 2018 uitspraak gedaan in kort geding over een managementvergoeding in een Aandeelhoudersovereenkomst.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering, behoudens voor zover daarover in het navolgende anders wordt geoordeeld ten aanzien van onderdelen van de vordering.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen zijn ingesteld door eiseres B. Anders dan gedaagde betoogt leidt dat niet tot niet-ontvankelijkheid. Gelet op de inhoud van de vorderingen, die zien op de management vergoeding die door de onderneming C wordt uitgekeerd aan gedaagde B, had het naar het oordeel van de voorzieningenrechter inderdaad meer voor de hand gelegen dat C zelf als eisende partij optrad. Daartoe had eiseres B de onderneming C kunnen vertegenwoordigen hetgeen zij naar voorlopig oordeel, immers als een van de bestuurders, als mogelijkheid had op grond van de statuten.

Dat eiseres B die mogelijkheid niet heeft benut maar heeft gekozen voor het instellen van de onderhavige vorderingen in haar hoedanigheid van aandeelhouder van de onderneming C, staat echter niet in de weg aan haar ontvankelijkheid in dit kort geding. Het betreft een aangelegenheid die haar ook in haar hoedanigheid van aandeelhoudster aangaat. Als zodanig heeft zij er belang bij dat haar medeaandeelhouder niet zonder daartoe strekkende afspraak of besluit gelden aan de vennootschap onttrekt.

Managementvergoeding. Nietig besluit? Aandeelhoudersovereenkomst.

De rechter oordeelt als volgt.

De vordering ziet allereerst op de terugbetaling van de aan gedaagde uitbetaalde bedragen in de periode oktober 2017 tot en met december 2017.

In die periode heeft gedaagde maandelijks € 10.000,00 ontvangen uit hoofde van management vergoeding.

Voor toewijzing van dit deel van de vordering is vereist dat eiseres B voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitkering ten onrechte is gedaan, dat aan de zijde van gedaagde een terugbetalingsplicht bestaat en dat, te zijner tijd, een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat over die periode aan gedaagde geen management vergoeding toekomt.

Eiseres B stelt dat is afgesproken dat niet per 1 oktober 2017 een maandelijkse vergoeding aan gedaagde zou worden betaald, maar per 1 januari 2018.

Op grond hiervan vordert zij de terugbetaling.

Die stelling van eiseres B is door gedaagde betwist. Gedaagde meent dat is afgesproken dat gedaagde na het eerste jaar een vergoeding zou ontvangen. Aangezien gedaagde op 1 oktober 2016 is gestart met zijn werkzaamheden als algemeen directeur, heeft hij per 1 oktober 2017 recht op een uitkering, aldus gedaagde.

Wie van partijen gelijk heeft is wegens het beperkte karakter van deze kort gedingprocedure niet vast te stellen.

In de overgelegde producties zijn aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van de stelling van gedaagde. Het verslag van de finale bespreking op 25 augustus 2016 lijkt immers een afspraak te behelzen dat voor gedaagde na één jaar een recht op management vergoeding zou ontstaan. Daarom kan de voorzieningenrechter niet zonder meer uitgaan van de juistheid van het standpunt van eiseres B. Gelet op het vorenstaande is het eerste gedeelte van de vordering niet toewijsbaar.

Het tweede deel van de vordering onder 1 ziet op de omvang van de in beide lezingen van de afspraak in elk geval vanaf januari 2018 aan gedaagde uit te betalen vergoeding.

Eiseres B meent dat een jaarlijkse management vergoeding is afgesproken van € 100.000,00, derhalve een bedrag van € 8.333,33 per maand. Gedaagde heeft volgens eiseres B ten onrechte zelfstandig en in strijd met de statuten beslist dat haar een hogere vergoeding toekomt. Dit besluit is volgens eiseres B op grond van artikel 2:14 lid 1 BW nietig.

Het door gedaagde in deze procedure en in het e-mailbericht van 24 oktober 2017 ingenomen standpunt is dat een uitkering van (minimaal) € 10.000,00 per maand dient plaats te vinden.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat tussen partijen afspraken gemaakt zijn over een jaarlijkse management vergoeding van € 100.000,00 van C aan gedaagde.

Hoewel deze afspraken niet formeel bij besluit van de ava zijn genomen, is in zoverre materieel sprake van een besluit.

Immers, iedereen die van dit besluit in kennis gesteld moest worden, wist van het besluit af en was het ermee eens.

Dat het besluit niet voldoet aan de procedurele eisen zoals opgenomen in de statuten (bijvoorbeeld de eisen ten aanzien van de oproeping voor een ava) is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een nietig besluit.

De statuten voorzien in artikel 22 lid 2 sub f en artikel 26 lid 1 in besluitvorming zonder dat voldaan is aan die formele vereisten en de vastlegging in e-mails volstaat in beginsel.

Het is voorts aannemelijk dat gedaagde zelfstandig, althans zonder afspraak hierover met eiseres B, heeft besloten tot het aan zichzelf toekennen van een hogere management vergoeding.

De vraag of in de gegeven situatie reden was dat te doen, omdat er, kennelijk, sprake is van door gedaagde gemaakte kosten, kan in dit kort geding niet worden beantwoord, maar het is in strijd met artikel 2:8 BW en de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen partijen beheerst om eenzijdig tot een dergelijke besluitvorming en, namens de vennootschap, uitkering over te gaan.

Voorshands ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wege van voorlopige voorziening te oordelen dat zolang geen ava heeft plaatsgevonden waarop een rechtsgeldig besluit is genomen over de hoogte van de door C aan gedaagde uit te keren management vergoeding, gedaagde niet meer toekomt dan 1/12 van €100.000,00, het bedrag correspondeert met hetgeen wel tussen de aandeelhouders is overeengekomen.

Het tweede gedeelte van de vordering dient daarom te worden toegewezen. Eiseres B en gedaagde dienen zich als aandeelhouders jegens elkander redelijk te gedragen en eiseres B heeft er in vennootschapsrechtelijke context belang bij te voorkomen dat gedaagde zich jegens de vennootschap onrechtmatig gedraagt.

Of eiseres B een vordering uit onverschuldigde betaling toekomt doet daarbij niet ter zake, zij vordert een verbod. De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt afgewezen nu daartoe de noodzaak niet duidelijk is.

De vordering onder 2 heeft betrekking op het bijeenroepen van een ava.

Op grond van artikel 22 lid 2 sub d en lid 4 van de statuten en op grond van artikel 2:219 BW is eiseres B als middellijk bestuurder van C bevoegd zelf een ava bijeen te roepen en tot vaststelling van de agenda.

Ook als gedaagde zou weigeren in overleg te treden met eiseres B – wat overigens niet voldoende aannemelijk lijkt nu gedaagde in januari 2018 een ava heeft bijeengeroepen – doet dat aan de bevoegdheid van eiseres B niet af. Gelet hierop ontbreekt het belang voor het treffen van een voorlopige voorziening in kort geding. De vordering onder 2 is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

De vordering onder 3 ziet op het opstellen van een concept aandeelhouders-overeenkomst.

Vaststaat dat partijen bij aanvang van de samenwerking het erover eens waren om afspraken over hun gezamenlijk aandeelhouderschap vast te leggen in een aandeelhoudersovereenkomst.

Eveneens staat vast dat gedaagde op 14 oktober 2016 een medewerker de opdracht heeft gegeven een concept aandeelhoudersovereenkomst op te stellen. Tot op heden is door die persoon geen concept aandeelhoudersovereenkomst overgelegd, ondanks dat eiseres B hier diverse malen om verzocht heeft.

Volgens eiseres B zijn de in de overeenkomst op te nemen onderwerpen door partijen vastgelegd. Zij vordert daarom nakoming van de tussen partijen tot stand gekomen afspraak. Gedaagde betwist echter dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de onderwerpen en stelt dat de opdracht om die reden ‘on hold’ is gezet. Volgens gedaagde is het, gelet op de verhouding tussen partijen, thans niet zinvol (meer) om een concept aandeelhoudersovereenkomst op te stellen.

Dat partijen eerder de intentie hebben uitgesproken te komen tot een (concept)aandeelhoudersovereenkomst staat vast.

Van de op dit punt gemaakte afspraken kan eiseres B nakoming vorderen.

Hoewel het de vraag is of partijen in de huidige situatie over alle onderwerpen overeenstemming zullen bereiken, is het van belang helder te krijgen wat partijen in een aandeelhoudersovereenkomst wensen op te nemen en op welke wijze.

Het belang van eiseres B daarbij is, gelet op voormeld eigenmachtig optreden van gedaagde B en de rolverdeling in de vennootschap, gelegen in meer duidelijkheid over de onderlinge verhouding en daarmee voldoende aannemelijk. De vordering onder 3 zal daarom worden toegewezen op de in het dictum vermelde wijze.

Geheel ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat toewijzing van de vordering niet meer inhoudt dan dat een concept aandeelhoudersovereenkomst wordt opgesteld.

Dit betekent niet dat partijen ook daadwerkelijk overeenstemming bereiken over alle onderwerpen of dat een definitieve aandeelhoudersovereenkomst tot stand zal komen. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een dwangsom aan de vordering te verbinden.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat partijen met inachtneming van artikel 2:8 BW over en weer verplicht zijn de belangen van de onderneming C naar behoren te behartigen hetgeen meebrengt dat zij ernaar streven dat de aan de vennootschap verbonden onderneming binnen de grenzen van het mogelijke winstgevend wordt geëxploiteerd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over aandeelhouders of de aandeelhoudersvergadering, over een aandeelhoudersovereenkomst of over een managementovereenkomst, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.