De Rechtbank Rotterdam heeft op 20 november 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een exoneratiebeding van een aannemer onredelijk bezwarend was.

Allereerst is in geschil de vraag hoe de overeenkomst tussen partijen moet worden gekwalificeerd.

Daar waar eiser stelt dat sprake is van een gemengde overeenkomst van koop en aanneming, meent gedaagde dat enkel sprake is van een overeenkomst van aanneming.

Voor de kwalificatie van de overeenkomst acht de rechtbank de aard van de prestatie doorslaggevend.

Uit de overeenkomst tussen partijen blijkt voldoende dat de nadruk van de prestatie ligt op het te verrichten arbeid.

De opdracht ziet immers op het vervangen c.q. plaatsen van een nieuw rieten dak alsmede overige timmerwerkzaamheden aan het dak en de dakkapel van eiser.

Het leveren door gedaagde van het riet voor het nieuwe dak dient ter realisering van het tot stand brengen en opleveren van een werk van stoffelijke aard (namelijk het rieten dak met een grotere dakkapel) en is daaraan ondergeschikt.

De zaak van de rechtbank Overijssel (RBOVE:2017:1184) waar eiser naar verwijst, betrof een geschil tussen een rietdekkersbedrijf en een riethandelaar, waarbij duidelijk sprake was van een koopovereenkomst.

Die zaak is niet vergelijkbaar met de onderhavige procedure tussen een rietdekkersbedrijf en een particulier. Aldus wordt de overeenkomst tussen partijen aangemerkt als een overeenkomst van aanneming in de zin van artikel 7:750 lid 1 BW.

Op grond van artikel 7:760 lid 1 BW komen de gevolgen van een ondeugdelijke uitvoering van het werk, die te wijten is aan gebreken of ongeschiktheid van door de aannemer gebruikte materialen of hulpmiddelen, voor rekening van de aannemer.

Overeenkomst van aanneming. Ondeugdelijke uitvoering van het werk? Exoneratiebeding van aannemer onredelijk bezwarend?

De rechter oordeelt als volgt.

Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van een ondeugdelijke uitvoering van het werk.

Doordat gedaagde gebruik heeft gemaakt van riet met een te hoog zoutgehalte, is de levensduur van het rieten dak wezenlijk verkort en verkeert het rieten dak (eerder dan verwacht had mogen worden) thans in een zeer slechte staat.

Daarmee is gedaagde tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, aldus de advocaat van eiser.

Daartegenover heeft gedaagde primair aangevoerd dat aansprakelijkheid voor de kwaliteit van het riet is uitgesloten op grond van de algemene voorwaarden. Subsidiair betwist gedaagde dat hij riet van slechte kwaliteit heeft gebruikt.

In reactie op het beroep van gedaagde op de algemene voorwaarden, in het bijzonder artikel 11.3, heeft eiser ten eerste betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst.

Daarnaast heeft hij de buitengerechtelijke vernietiging van dit beding ingeroepen, enerzijds omdat de algemene voorwaarden niet aan hem ter hand zouden zijn gesteld, anderzijds omdat het beding onredelijk bezwarend zou zijn.

Overwogen wordt als volgt.

Gelet op de inhoud van de offerte van 2 juni 2010, waarin de algemene voorwaarden op de offerte van toepassing zijn verklaard, en de ondertekening van de overeenkomst van 3 augustus 2010, waarin is vermeld dat de offerte van 2 juni 2010 wordt uitgevoerd en dat alle andere voorwaarden vermeld op de offerte van toepassing blijven, wordt eiser geacht de algemene voorwaarden in zijn geheel te hebben aanvaard.

De redenering van eiser dat de algemene voorwaarden slechts betrekking hadden op de offerte en niet op de overeenkomst, wordt niet gevolgd, nu de offerte met de ondertekening van de overeenkomst is aanvaard en derhalve daarvan niet los kan worden gezien.

Voor zover partijen niet over de algemene voorwaarden hebben gesproken, zoals eiser stelt, doet ook dat ingevolge artikel 6:232 BW niet af aan de gebondenheid aan de algemene voorwaarden. De algemene voorwaarden zijn daarom van toepassing op de overeenkomst.

Vervolgens ligt de vraag voor of eiser zich kan beroepen op de buitengerechtelijke vernietiging van artikel 11.3 van de algemene voorwaarden.

Vooropgesteld wordt dat eiser de overeenkomst is aangegaan als natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Artikel 6:237 BW is dan van toepassing.

Artikel 11.3 van de algemene voorwaarden bepaalt kort gezegd dat de kwaliteit van het riet en situaties waarin sprake is van dakvlakken met hellingshoeken van minder dan 40 graden buiten de garantie van gedaagde vallen.

Deze bepaling heeft de strekking gedaagde geheel of ten dele te bevrijden van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:74 lid 1 BW jo. 7:760 lid 1 BW en is daarom aan te merken als een beding in de zin van artikel 6:237 aanhef en onder f BW.

Dat betekent dat dit beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn en dat het op de weg van gedaagde ligt om dit vermoeden te weerleggen.

Gedaagde heeft op dit punt aangevoerd dat de uiteindelijke kwaliteit van het riet slechts een klein onderdeel is van de overeengekomen werkzaamheden.

Verder heeft hij gewezen op de toelichting in het artikel zelf, namelijk dat riet een natuurproduct is, dat de kwaliteit ervan niet overeenkomstig vaststaande technische normen kan worden gekeurd en dat de levensduur ervan in belangrijke mate afhankelijk is van het uitvoeren van jaarlijks preventief onderhoud, de ligging van de onroerende zaak en het gebruik van chemicaliën. Voor dakvlakken met hellingshoeken van minder dan 40 graden heeft, blijkens het slot van artikel 5.1 van de algemene voorwaarden, te gelden dat die hellingshoeken, in verband met de afvoer van hemelwater, in grote mate de levensduur van het riet in negatieve zin kunnen bepalen, aldus de advocaat van gedaagde.

Anders dan gedaagde meent, vormt de kwaliteit van het riet naar het oordeel van de rechtbank een belangrijk onderdeel van het opleveren van een rieten dak met een grotere dakkapel.

Het ligt voor de hand dat de levensduur van een rieten dak afhankelijk is van verschillende (in artikel 11.3 van de algemene voorwaarden genoemde) factoren, maar van een rietdekkersbedrijf mag worden verwacht dat zij bij het plaatsen van een rieten dak geen gebruik maakt van riet waarvan de kwaliteit zodanig slecht is dat de levensduur van een rieten dak daardoor wezenlijk wordt verkort.

Bovendien zijn partijen, conform de offerte van 2 juni 2010, uitdrukkelijk overeengekomen dat [gedaagde] gebruik zal maken van eerste klas dekriet.

Deze afspraak valt niet goed te rijmen met de algemene voorwaarden waarin is vermeld dat de kwaliteit van het riet niet volgens technische normen kan worden vastgesteld.

Gedaagde heeft nog gesteld dat partijen over de kwaliteit van het riet c.q. de levensduur van het rieten dak alsmede de hellingshoek als levensduur beperkende factor hebben gesproken tijdens de onderhandelingen, maar daarmee is niet gezegd dat eiser uitdrukkelijk door gedaagde is gewezen op de uitsluiting van garantie op het riet en dat hij, met die wetenschap, de overeenkomst sloot.

Voorts valt niet in te zien waarom de door gedaagde aangehaalde levensduur beperkende factoren zouden moeten leiden tot een algehele uitsluiting van garantie op het gebruikte riet, terwijl een garantie onder voorwaarden of een beperkte garantieduur tevens tot de mogelijkheden behoren.

Ook is voorstelbaar dat gedaagde de risico’s van de gevolgen van het gebruik van slecht riet heeft afgedekt door middel van een aansprakelijkheidsverzekering en/of dat hij op grond van de koopovereenkomst op zijn beurt regres heeft op zijn rietleverancier.

Gedaagde heeft daarover niets gesteld, zodat niet uitgesloten kan worden dat die wegen voor gedaagde openstaan.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat artikel 11.3 van de algemene voorwaarden, omtrent de uitsluiting van de garantie op de kwaliteit van het gebruikte riet, onredelijk bezwarend is en dat eiser op grond van artikel 6:233 sub a jo. 6:237 sub f BW terecht de buitengerechtelijke vernietiging van het beding heeft ingeroepen.

De vraag of de algemene voorwaarden al dan niet ter hand zijn gesteld, behoeft voor de beoordeling van het geschil geen bespreking meer.

Het primaire beroep van gedaagde op artikel 11.3 van de algemene voorwaarden kan hem dan ook niet baten.

Subsidiair heeft gedaagde betwist dat hij riet van slechte kwaliteit heeft gebruikt.

Hij voert aan dat het zoutgehalte een onjuiste maatstaf is voor de beoordeling van de rietkwaliteit en dat de door eiser ingeschakelde deskundige het zoutgehalte op onjuiste wijze heeft vastgesteld.

Zelfs indien het riet van onvoldoende kwaliteit zou zijn ten gevolge van het hoge zoutgehalte, levert dat geen toerekenbare tekortkoming aan de kant van gedaagde op.

Artikel 7:760 lid 1 BW brengt met zich dat gedaagde dient in te staan voor de deugdelijkheid van de door hem gebruikte materialen en dat hij aansprakelijk is voor de gevolgen indien ondeugdelijk materiaal is gebruikt.

Indien komt vast te staan dat sprake is van een te hoog zoutgehalte in het gebruikte riet en dat dit te hoge zoutgehalte de oorzaak is van de slechte staat van het rieten dak, komt dit voor rekening en risico van gedaagde.

In dat geval is gedaagde aansprakelijk voor de gevolgen van het gebruik van het riet met een te hoog zoutgehalte. Het gegeven dat in 2011 de discussie over het zoutgehalte in riet nog niet speelde in de rietdekkersbranche, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, maakt niet dat [gedaagde] daarmee onder zijn aansprakelijkheid van artikel 7:760 lid 1 BW uit kan komen.

Het is in beginsel aan eiser om te stellen en te bewijzen dat het door gedaagde gebruikte dekriet ongeschikt is.

Voor de beoordeling van de door eiser gevorderde schadevergoeding acht de rechter het noodzakelijk een deskundige te benoemen, die kan onderzoeken of het zoutgehalte in dekriet een wezenlijk negatieve invloed heeft op de kwaliteit van dekriet, zo ja, of het riet op het dak van eiser een te hoog zoutgehalte heeft en, zo ja, in hoeverre de huidige verslechterde staat van het dak (mede gelet op mogelijke, andere levensduur beperkende factoren) het gevolg is van het te hoge zoutgehalte in het riet en hoe de schade van eiser moet worden begroot.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich op de hierna te melden rol uit te laten over de vraag wie als deskundige benoemd zou moeten worden en over de aan de deskundige voor te leggen (sub)vragen.

Daarbij dienen zij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank geeft partijen in overweging om in dat kader met elkaar in overleg te treden.

Op voorhand wordt bepaald dat, nu de bewijslast in deze bij eiser ligt en hij ook te kennen heeft gegeven bereid te zijn een deskundige te laten aanstellen, het voorschot op de kosten van de deskundige door eiser zal dienen te worden gedeponeerd.

Dit laat onverlet dat de door de rechtbank vastgestelde kosten van het deskundigenonderzoek zullen worden gedragen door de partij die uiteindelijk in het ongelijk wordt gesteld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.