Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 5 november 2019 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van afgeleide schade voor een aandeelhouder wegens schending van een jegens de aandeelhouder geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting van de bestuurder?

Het hof stelt vast dat E aldus vergoeding vordert van de door haar als aandeelhouder van M geleden schade als gevolg van het aan geïntimeerde als bestuurder van M verweten onbehoorlijk bestuur.

Aandeelhouder. Bestuurdersaansprakelijkheid. Afgeleide schade voor aandeelhouder? Schending van een jegens aandeelhouder geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting?

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van die vordering wordt het volgende vooropgesteld.

In zijn arrest van 2 december 1994, HR:1994:ZC1564 (Poot/ABP), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, indien aan een besloten vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap het recht heeft uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen.

Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap kunnen meebrengen.

In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van voor hen ontstaan nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken.

Verder heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schade als deze schade het gevolg is van schending van een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting.

In zijn arrest van 16 februari 2007, HR:2007:AZ0419 (Tuin Beheer/Houthoff), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze regel eveneens van toepassing is in gevallen als het onderhavige waarin, zoals hier door E gesteld, de bestuurder van een vennootschap tekortschiet in de nakoming van de uit zijn aanstelling voortvloeiende verplichtingen tegenover die vennootschap.

In dat arrest heeft de Hoge Raad verder geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat een voorzienbaar gevolg van de handelwijze van de bestuurder is dat de aandeelhouder wordt benadeeld, niet meebrengt dat de bestuurder jegens de aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Dit laatste geldt ook indien bestuurder onnodig en desbewust het faillissement van de vennootschap heeft veroorzaakt voor zijn eigen gewin.

Indien de bestuurder van een vennootschap zich aldus gedraagt, leidt dit tot vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap, of zelfs tot waardeloosheid daarvan, en dus tot afgeleide schade van de aandeelhouders van die vennootschap.

Indien geen bijkomende omstandigheden zijn gesteld, zoals het opzet om die aandeelhouder aldus te benadelen, kan echter niet worden gesteld dat de bestuurder dusdoende tevens een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden tegenover die aandeelhouder, aldus de Hoge Raad.

Het hof is tegen deze achtergrond van oordeel dat E onvoldoende concreet heeft toegelicht dat en hoe geïntimeerde door haar handelen een jegens E, als aandeelhouder van M specifiek in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

De door E ter onderbouwing van haar vordering genoemde gedragingen betreffen telkens het ernstig verwijtbaar tekortschieten van geïntimeerde als bestuurder van M in de nakoming van de op haar jegens M rustende verplichting tot een behoorlijke vervulling van haar taak.

Dat en waarom zulks tevens een schending van een jegens E als aandeelhouder in acht te nemen specifieke zorgvuldigheidsverplichting zou opleveren heeft E onvoldoende onderbouwd.

Wel heeft E aangevoerd dat geïntimeerde wist dat E rechtstreeks zou worden benadeeld door het onttrekken van gelden aan M, maar ook dat brengt niet mee dat zij jegens E als aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden.

Dat geïntimeerde bij haar handelen het opzet zou hebben gehad om E te benadelen is niet gebleken.

Geïntimeerde heeft dat gemotiveerd betwist en de ondergang van M toegeschreven aan het eindigen van de contracten en het uitblijven van nieuwe opdrachtgevers.

Onder deze omstandigheden kan op grond van hetgeen E daartoe heeft aangevoerd niet worden vastgesteld dat de door E als aandeelhouder van M geleden schade het gevolg is van een schending door geïntimeerde van een jegens E geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting.

De vordering van E is daarom niet toewijsbaar.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat aandeelhouder over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over aandeelhouders, bestuurdersaansprakelijkheid of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.