De Rechtbank Oost-Brabant heeft in kort geding op 16 oktober 2019 uitspraak gedaan over het opvragen en de afgifte van afschriften van bescheiden in verband met een mogelijk in te stellen vordering van bestuurdersaansprakelijkheid.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat, nu C een vennootschap naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten is en gevestigd is in Dubai, het geschil van partijen een internationaal karakter draagt.

Allereerst dient daarom de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vorderingen kennis te nemen.

De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en wel op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dat bepaalt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien de gedaagde partij in Nederland zijn woonplaats heeft.

Vervolgens dient de vraag zich aan welk recht van toepassing is op de rechtsbetrekking tussen partijen.

Uit de stellingen van beide partijen kan worden afgeleid dat zij van mening zijn dat Nederlands recht van toepassing is en zij (impliciet) voor toepasselijkheid van Nederlands recht hebben gekozen.

Opvragen en afgifte van bescheiden in verband met mogelijk in te stellen vordering van bestuurdersaansprakelijkheid. Internationaal recht.

De rechter oordeelt als volgt.

C heeft voldoende aannemelijk gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering.

Zij overweegt de bestuurder van D in privé aan te spreken voor het niet volledig voldoen door D aan het scheidsrechterlijk vonnis van 9 januari 2018.

Van haar kan niet worden verwacht dat zij de noodzakelijke gegevens om te kunnen beoordelen of de genoemde procedure enige kans van slagen maakt, via een bodemprocedure tracht te verkrijgen.

De vordering strekt tot afschrift van bescheiden op grond van artikel 843a Rv.

C heeft afschrift gevorderd van financiële administratie van D.

D is echter geen partij in dit geding. Nu niet gebleken is dat C de bescheiden van D, waarvan afschrift wordt gevorderd, onder zich heeft, zullen die onderdelen van de vordering, wat daar verder van zij, worden afgewezen.

Ten aanzien van de onderdelen van de vordering die zien op de bescheiden geldt het volgende.

Een dergelijke vordering is (in kort geding) toewijsbaar indien (i) C een rechtmatig belang heeft bij inzage, (ii) het gaat om bepaalde bescheiden en (iii) die bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij C partij is.

Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft C voldoende onderbouwd dat zij, in verband met mogelijk in te stellen vorderingen jegens het bestuur op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, een rechtmatig belang heeft bij afschrift van de financiële administratie.

Voorts is sprake van een rechtsbetrekking tussen C en D in de zin dat D schuldenaar van C is.

De verplichting tot het verstrekken van een afschrift van de gevraagde bescheiden zal worden beperkt, nu zeker in dit stadium moet worden geoordeeld dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van het meerdere is gewaarborgd.

De bescheiden waarvan afschrift wordt gevorderd acht de voorzieningenrechter te ruim en daarmee is sprake van een fishing expedition.

De veroordeling zal worden beperkt tot de twee concrete punten die door C aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, te weten haar vermoedens van bestuurdersaansprakelijkheid vanwege het gebrek aan informatie omtrent de koopprijs van de activatransactie van 31 juli 2017 en de vermindering van de reserves van D in 2017.

D zal daarom worden verplicht tot het geven van gedocumenteerde informatie over de koopprijs van de activatransactie op 31 juli 2017, alsmede over de vermindering van de reserves. Door de beperking en specificatie van deze veroordeling zijn de stukken voldoende bepaald.

Tot slot is geen sprake van gewichtige redenen die zich tegen het voorgaande verzetten.

Dat D met U een geheimhoudingsbeding heeft afgesproken in de Asset Purchase Agreement kan niet als gewichtige reden gelden.

De informatie over de koopprijs kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als naar zijn aard vertrouwelijk worden aangemerkt en het geheimhoudingsbeding kan niet aan C worden tegengeworpen.

Gelet op het feit dat D een aanzienlijke vordering onbetaald heeft gelaten, heeft C belang bij de informatie en daarom dient haar belang bij afgifte te prevaleren boven het belang van D dat afgifte wordt geweigerd..

Gelet op het voorgaande zal de vordering op de hierna te melden wijze worden toegewezen.

D zal vier weken de gelegenheid worden geboden de informatie aan C te verschaffen.

De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen als hierna vermeld en daar zal een maximum aan worden verbonden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.