Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 30 april 2019 uitspraak gedaan over de uitstoting van een aandeelhouder, over de overdracht van aandelen ten titel van beheer en de waardering van aandelen.

Geschillenregeling. Uitstoting van aandeelhouder. Overdracht van aandelen ten titel van beheer. Waardering van aandelen. Verschaffen van informatie.

De rechter oordeelt als volgt.

De voorziening overdracht van aandelen ten titel van beheer brengt niet mee dat de aandelen in goederenrechtelijke zin tot het vermogen van de beheerder gaan behoren.

Het gaat in de context van het enquêterecht om een rechtsfiguur sui generis, die, mede in het licht van het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geen verdergaande gevolgen heeft dan noodzakelijk is voor het daarmee beoogde doel, te weten (in het onderhavige geval) het bevorderen van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap.

Dit betekent dat de voorziening overdracht van aandelen ten titel van beheer bewerkstelligt dat de aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (waaronder het vergaderrecht en het stemrecht) tijdelijk zijn overgedragen aan de beheerder, maar dat de overige aandeelhoudersrechten (waaronder het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure) bij de aandeelhouder blijven.

De door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen is dan ook niet bevoegd om over de aan hem in beheer gegeven aandelen te beschikken. Die bevoegdheid blijft bij de aandeelhouder.

Opmerking verdient nog dat beslag, executie, bezwaring en vervreemding van de aandelen het beheer niet raken.

Ten slotte merkt de Ondernemingskamer op dat voor zover eerdere uitspraken blijk gaven van een andere opvatting omtrent de reikwijdte van de voorziening overdracht van aandelen ten titel van beheer, zij hiervan terugkomt, en dat het voorgaande zowel geldt voor op de voet van artikel 2:349a BW als voor op de voet van artikel 2:356 BW getroffen voorzieningen van overdracht van aandelen ten titel van beheer.

Het voorgaande laat overigens onverlet dat de Ondernemingskamer zo nodig de (vennootschapsrechtelijke) gevolgen van een door haar getroffen voorziening van overdracht van aandelen ten titel van beheer nader kan regelen (met (analoge) toepassing van artikel 2:357 lid 2 BW).

Indien in het kader van de uitstootprocedure de vordering tot uitstoting toewijsbaar is en vervolgens een prijs moet worden bepaald, benoemt de rechter op de voet van artikel 2:339 BW een of meer deskundigen die daarover een schriftelijk bericht moeten uitbrengen.

De regels die gelden voor het reguliere deskundigenbericht in civiele zaken (artikelen 194 tot en met 199 Rv) zijn voor het overige van toepassing verklaard.

Hieronder valt artikel 198 Rv, dat partijen verplicht informatie die zij aan de deskundige verstrekken ook in afschrift aan de wederpartij te verstrekken (lid 2) en dat de verplichting voor partijen bevat aan het onderzoek mee te werken (lid 3).

Daarnaast zijn de artikelen 2:351 en 352 BW van overeenkomstige toepassing verklaard.

In artikel 2:351 lid 1 BW wordt de onderzoeker in een enquêteprocedure de bevoegdheid gegeven de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de rechtspersoon te raadplegen en worden de (voormalige) bestuurders, commissarissen en werknemers verplicht alle voor het onderzoek noodzakelijke inlichtingen te verschaffen.

Genoemde artikelen in Rv en BW bevatten derhalve regels over de wijze waarop en de (rechts)personen van wie informatie wordt verkregen en hoe daarmee moet worden omgegaan.

Waar het gaat om de waardering van aandelen van een vennootschap zal het in het algemeen de vennootschap zijn die beschikt over de daarvoor relevante gegevens en is het ook de vennootschap die die gegevens uit haar administratie aan de deskundige ter beschikking zal moeten stellen.

Dat ook een aandeelhouder over die gegevens beschikt, kan (behoudens waar het gaat om gegevens waarop hij uit hoofde van zijn positie aanspraak heeft) in zijn algemeenheid niet worden aangenomen.

Dat geldt ook als de (indirect) aandeelhouder tevens bestuurder van de vennootschap is; hij beschikt in dat geval over die gegevens in zijn hoedanigheid van bestuurder en niet in zijn hoedanigheid van aandeelhouder.

Bij gebreke van concrete aanwijzingen voor het tegendeel, moet er derhalve van worden uitgegaan dat de in het dictum van het bestreden vonnis vermelde stukken zijn opgevraagd bij en aan de deskundige zijn verstrekt door de vennootschap zelf.

Dat betekent dat de aan in het vonnis opgelegde verplichting om een afschrift van die stukken aan te verstrekken betrekking heeft op stukken die niet door haar aan de deskundige zijn verstrekt.

Bijzondere omstandigheden daargelaten, gaat het te ver om een individuele aandeelhouder te verplichten informatie van de vennootschap op te vragen (voor zover hij daarop al aanspraak heeft) om deze vervolgens aan de deskundige en, op de voet van artikel 198 Rv, aan de wederpartij te verstrekken, terwijl ook op de vennootschap zelf al een verplichting rust tot het ter beschikking stellen van deze gegevens aan de deskundige.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.