Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 22 oktober 2019 uitspraak gedaan over Bestuurdersaansprakelijkheid en de reikwijdte van decharge. Vielen de aan de bestuurder verweten gedragingen onder de kwijting die aan de bestuurder is verleend?

H heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat geïntimeerde jegens H op grond van art. 2:9 BW en/of art. 6:162 BW aansprakelijk is voor de door H geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn handelwijze als bestuurder van H met betrekking tot het A-project.

Aan haar vordering legt Huis & Erf ten grondslag dat geïntimeerde de overeenkomst voor de ontwikkeling van het A-project is aangegaan (i) zonder de statutair en wettelijk vereiste toestemming van de raad van toezicht, (ii) zonder financiering, (iii) zonder sluitende business case en (iv) zonder ook maar één enkele huur- of verkoopovereenkomst te hebben gesloten. Bovendien heeft geïntimeerde relevante informatie buiten het zicht van de raad van toezicht gehouden.

De rechtbank heeft de vordering op grond van artikel 2:9 BW afgewezen, kort gezegd, op de grond dat de algemene vergadering geïntimeerde decharge heeft verleend.

De rechtbank heeft overwogen dat de algemene vergadering volledig bekend was met de handelwijze van geïntimeerde inzake het project. De vordering uit onrechtmatige daad heeft de rechtbank eveneens afgewezen.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt H met vier grieven op.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Reikwijdte decharge. Vallen de aan de bestuurder verweten gedragingen onder de kwijting die aan de bestuurder is verleend?

De rechter oordeelt als volgt.

Naar de rechtbank, in hoger beroep terecht niet bestreden, heeft overwogen, is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

Indien de bestuurder heeft gehandeld in strijd met statutaire bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, dient dit als een zwaarwegende omstandigheid te worden aangemerkt die in beginsel de aansprakelijkheid van de bestuurder vestigt (HR 29 november 2002, HR:2002:AE7011).

Ingevolge artikel 39 lid 7 van de statuten neemt de algemene vergadering ter gelegenheid van de goedkeuring van het jaarverslag een besluit omtrent het verlenen van kwijting aan de statutair bestuurder.

Deze heeft betrekking op de stukken die aan de algemene vergadering zijn overgelegd. Een decharge strekt zich niet uit tot informatie waarover een individueel lid uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering – de beschikking heeft gekregen.

Evenmin heeft deze betrekking op gegevens die niet uit het jaarverslag blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering zijn bekendgemaakt voordat deze het jaarverslag vaststelde. (vgl. HR 10 januari 1997, HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360 (Staleman/Van de Ven))

Uit de processtukken valt af te leiden dat de algemene vergadering met grote regelmaat is geïnformeerd over het conflict tussen de bestuurder (geïntimeerde) en de leden van de RvT.

Zoals blijkt uit het jaarverslag, zijn de leden op 15 december 2010 tijdens een extra algemene vergadering geïnformeerd over de uitkomst van het forensisch onderzoek.

Tijdens deze vergadering heeft de RvT de leden meegedeeld dat was besloten de ontslagprocedure te starten. Uit de notulen van de algemene vergadering van 28 april 2011 blijkt dat op 12 januari 2011 opnieuw een algemene vergadering is gehouden waarin de leden zijn bijgepraat. Daarin is in de woorden van vicevoorzitter ‘confronterende informatie’ verstrekt. Tijdens de vergadering van 28 april 2011 is ook weer uitvoerig gesproken over het conflict. Aan de leden werd verteld dat ‘een groot onderdeel van het conflict tussen RvT en voormalig bestuurder’

Verder werd benadrukt dat er voldoende signalen waren dat het niet goed zat en dat de RvT geen informatie had om toezicht te houden. Uit de notulen van deze vergadering valt af te leiden dat ook is gesproken over de financiële risico’s van het project Vicaris. Aan de leden werd verteld dat het niet ongebruikelijk was dat bij de start van een dergelijk groot project 70% van de woningen verkocht is en dat er huurders zijn voor de commerciële ruimten voordat de bouw start.

Het jaarverslag, verschenen in juni 2011, laat zich in weinig vleiende bewoordingen uit over het functioneren van het bestuur in 2010. Op pagina 5 wordt in algemene zin melding gemaakt van ‘een minder positief beeld van de organisatie dan tot nu toe werd geschetst’ en van ‘nieuw beleid zonder heldere doelstellingen en financiële kaders vooraf.’

Mede als gevolg van het ontbreken van een geconcretiseerd beleidsplan en het onvolledig of niet tijdig informeren is het vertrouwen met de RvT op de proef gesteld. Volgens de interim-bestuurder bestaat onvoldoende inzicht in de wijze waarop de in het verleden opgestelde operationele, volkshuisvestelijke, maatschappelijke en financiële doelstellingen van H kunnen worden gerealiseerd’ .

De organisatie zou een aantal kenmerken van een ‘verdeel en heers cultuur’ vertonen. De RvT heeft een forensisch onderzoek door een extern bureau laten verrichten. Deze kwalificaties hebben alle betrekking op een periode waarin geïntimeerde als enig statutair bestuurder de verantwoordelijkheid voor het bestuur droeg.

Het jaarverslag maakt op verscheidene plaatsen gewag van gebrekkige informatieverschaffing door de bestuurder. Het onvolledig of niet tijdig informeren van de Raad stelde het vertrouwen van de RvT in de bestuurder op de proef.

Door het ontbreken van een geconcretiseerd beleidsplan en het onvolledig of niet tijdig informeren van de Raad door de bestuurder werd het vertrouwen van de Raad in de bestuurder op de proef gesteld. Gevraagde informatie op zowel strategisch- als operationeel niveau werd niet of onvolledig en pas na veel aandringen aan de RvT verstrekt. Tevens is in het jaarverslag financiële informatie over het project opgenomen.

Tijdens de algemene vergadering van 28 juni 2011 zijn blijkens de aan de algemene vergadering verstrekte notulen gedetailleerde vragen over het jaarverslag gesteld.

Vervolgens heeft de vergadering het jaarverslag vastgesteld en zonder voorbehoud kwijting verleend. Aan het eind van de vergadering is aan de leden nog eens bevestigd dat de financiering van project Vicaris nog niet rond was.

Uit het vorenstaande blijkt dat de algemene vergadering door middel van het jaarverslag erover is geïnformeerd dat een groot deel van het conflict ging over het project Vicaris, dat de bestuurder werd verweten de RvT niet of onvoldoende te heggen geïnformeerd, dat het project was aangegaan zonder dat de financiering rond was en dat fundamentele kritiek werd geuit over het bestuur, resulterend in een vertrouwensbreuk en een ontslagzaak.

Tevens zijn financiële gegevens over het project in de jaarrekening opgenomen. Terwijl de algemene vergadering over deze gegevens uit het jaarverslag beschikte, heeft zij zonder voorbehoud kwijting verleend.

De rechter is van oordeel dat reeds gelet op de inhoud van het jaarverslag de kwijting mede betrekking heeft op het project, met inbegrip van de stellingen dat de RvT niet was geïnformeerd en dus geen toestemming had gegeven, dat de financiering en een sluitende business case niet rond waren en zonder dat een huur- of verkoopovereenkomst was gesloten.

Het vorenstaande geldt te meer gelet op de informatie die anderszins aan de algemene vergadering is bekendgemaakt voordat deze het jaarverslag vaststelde.

De rechter overweegt ten overvloede nog het volgende.

H heeft in het kader van haar betwisting van de decharge aangevoerd dat de algemene vergadering niet is geïnformeerd.

Weliswaar heeft zij in hoger beroep de notulen van de algemene vergadering van 28 april 2010 overgelegd, maar zij heeft ondanks verzoek daartoe van geïntimeerde de notulen van de vergaderingen van 15 december 2010 en 12 januari 2011 ook in hoger beroep niet overgelegd.

Uit het jaarverslag en uit de notulen van de algemene vergadering van 28 april 2010 valt af te leiden dat de ALV tijdens de vergaderingen van 15 december 2010 en 12 januari 2011 over het conflict is geïnformeerd.

Nu H over deze informatie beschikt, had dit in het kader van de onderbouwing van haar verweer tegen het beroep op kwijting wel op haar weg gelegen de ontbrekende notulen in het geding te brengen. Zij heeft daarom in zoverre ook in hoger beroep haar betwisting van de kwijting onvoldoende gemotiveerd, zodat de grieven ook op deze grond falen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.