Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 8 oktober 2019 uitspraak gedaan over ingebrekestelling, verzuim en wanprestatie in het verbintenissenrecht.

De gedachtegang van de kantonrechter is geweest dat geïntimeerde uit de verklaringen en de handelwijze van appellant kon afleiden dat appellant niet zou nakomen en dat een ingebrekestelling hem niet op andere gedachten zou hebben gebracht.

Een redelijke uitleg van de koopovereenkomst brengt in deze redenering mee dat de overeenkomst zonder ingebrekestelling kon worden ontbonden en dat de boete dan opeisbaar zou zijn.

Het hof volgt de kantonrechter daarin niet.

Contractenrecht. Ingebrekestelling. Verzuim. Wanprestatie. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

In artikel 6:83 aanhef en onder c BW is geregeld dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.

Die bepaling is van regelend recht, en partijen hebben een specifieke regeling voor het intreden van verzuim afgesproken die ervan afwijkt.

Op grond van die afspraak kan de overeenkomst pas worden ontbonden en kan een boete pas verschuldigd zijn na een ingebrekestelling.

Die bepaling is niet vatbaar voor een uitleg waarin deze uitdrukkelijke voorwaarde niet geldt.

Onder bijzondere omstandigheden is wel denkbaar dat een beroep op deze regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, maar dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor.

De kern van het betoog van appellant is immers dat hij zich niet realiseerde een aanzienlijke boete te riskeren door uit de woning te vertrekken en de sleutels in te leveren.

Juist onder die omstandigheden heeft hij belang bij een tijdige waarschuwing voor de mogelijk verstrekkende gevolgen van zijn handelen en bij de mogelijkheid dat handelen te heroverwegen.

Het is dat belang waaraan in de overeenkomst is tegemoetgekomen met de bepaling dat de overeenkomst pas na ingebrekestelling met een termijn van 8 dagen kon worden ontbonden en dat pas daarna een boete verschuldigd kon zijn.

Dat appellant indertijd een onhoudbaar standpunt innam en daarin erg volhardend was, kan hieraan niet afdoen, nu hem niet alsnog, na de brief van 13 februari 2017, een termijn voor nakoming is gegeven.

Daardoor blijft onzeker of een ingebrekestelling hem op andere gedachten had kunnen brengen. De grief treft dus doel.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat ondernemingsrecht over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het contractenrecht of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.