Van onze advocaat ondernemingsrecht. De Rechtbank Rotterdam heeft op 14 juli 2017 uitspraak gedaan over het ontslag van een statutair bestuurder die ook een arbeidsovereenkomst heeft. Toetsing aan artikel 2:8 BW.
Iedere bestuurder kan te allen tijde worden geschorst en ontslagen door het orgaan dat bevoegd is tot benoeming (artikel 2:244 lid 1 BW). Dat is hier de algemene vergadering. Uit de overgelegde stukken bleek al van instemming met dit ontslag van 80% van de aandeelhouders. Op zich is dit al een meerderheid die statutair voldoende is voor het ontslag. International P heeft ter zitting bovendien verklaard dat ook de aandeelhouder die de overige 20% van de aandelen houdt, instemt met dit besluit en dat slechts verzuimd was om het bewijs daarvan in de onderhavige procedure over te leggen. De voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring.
Een bestuurder heeft als zodanig een raadgevende stem in de algemene vergadering (artikel 2:227 lid 7 BW). Eiser had derhalve het recht om zijn raadgevende stem te geven (ook) ten aanzien van het voornemen tot zijn ontslag. Dit recht is geschonden. International P erkent dat de termijn waarbinnen [eiser zijn zienswijze mocht geven op het voornemen tot zijn ontslag, nog niet was verstreken toen International P op 10 maart 2017 haar brief deed uitgaan, aan haar klanten en relaties, met de mededeling dat eiser niet meer voor haar werkte. Deze schending is in de gegeven omstandigheden echter onvoldoende zwaarwegend om een voorziening te rechtvaardigen. Het is weinig aannemelijk dat de raadgevende stem van eiser tot een andere uitkomst zou hebben geleid, dan wel zal leiden, zo aan eiser alsnog de mogelijkheid zou (moeten) worden geboden om deze stem uit te brengen. Partijen hebben mediation beproefd maar dat is mislukt. Bovendien is niet echt duidelijk geworden wat de zienswijze van eiser nu eigenlijk inhoudt. Eiser heeft deze zienswijze nooit gegeven. Eiser heeft dat niet gedaan binnen de termijn die daartoe aan hem was gegeven door International P en nadien ook niet. Eiser heeft in zijn dagvaarding aangekondigd dat hij deze zienswijze alsnog zou inbrengen in de onderhavige procedure, maar ook dat heeft hij niet gedaan. De voorzieningenrechter heeft eiser ter zitting nog gevraagd naar zijn mening over de gegrondheid van het ontslagbesluit. Het antwoord van eiser kwam erop neer dat hij in zijn visie toch nog wel redelijk heeft gepresteerd, rekening houdend met de moeilijke omstandigheden waarbinnen hij zijn taak heeft moeten uitvoeren. Dit standpunt kan juist zijn, maar is niet voldoende zwaarwegend om aan te mogen nemen dat de zienswijze van eiser tot een andere uitkomst zou hebben geleid, dan wel zal leiden.
Ontslag en toetsing aan artikel 2:8 BW
Een ontslagbesluit van een rechtspersoon kan worden getoetst aan artikel 2:8 BW, dat luidt:
1 Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
2 Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Uit de aard van de rechtsbetrekking van bestuurder tot vennootschap volgt dat een besluit tot ontslag niet snel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het verlenen van ontslag is een vergaande discretionaire bevoegdheid van de algemene vergadering. Het beroep van eiser op dit artikel dient in de gegeven omstandigheden te falen. De schending van het recht van eiser om zijn raadgevende stem uit te brengen, is daartoe, zoals gezegd, niet voldoende en van andere onregelmatigheden is geen sprake. Het standpunt van eiser ter zitting dat hij naar omstandigheden toch nog redelijk heeft gepresteerd is veel minder stellig dan zijn eerdere standpunt dat het ontslag voor hem als een donderslag bij heldere hemel kwam. Partijen verschillen van mening over de ernst van de aan eiser gemaakte verwijten, maar een dergelijk verschil van inzicht maakt nog niet dat artikel 2:8 BW is geschonden. Van onbegrijpelijke verwijten is in ieder geval niet kunnen blijken.
Vennootschappelijk ontslag ook het einde van de arbeidsovereenkomst?
Als hoofdregel heeft te gelden dat het vennootschappelijk ontslag ook het einde van de arbeidsovereenkomst inhoudt. Deze hoofdregel lijdt onder meer, en voor zover van belang, uitzondering als sprake is van een afwijkende partijafspraak (Hoge Raad, 15 april 2005, NJ 2005/483 Bartelink en Hoge Raad, 15 april 2005, NJ 2005/484 Unidek). Dit doet zich hier voor. Tussen partijen is niet in geding dat de arbeidsovereenkomst met eiser (pas) ten einde komt per 1 oktober 2017. De advocaat van eiser verlangt dat zijn schorsing ongedaan wordt gemaakt voor de resterende periode tot 1 oktober 2017. Eiser heeft naar voorlopige oordeel een onvoldoende zwaarwegend (spoedeisend) belang voor ongedaanmaking van de schorsing. De tijdsspanne tussen de datum van onderhavig vonnis en 1 oktober 2017 is ruim twee maanden, hetgeen een relatief korte periode is. De dagvaarding van eiser dateert van 7 juni 2017, terwijl het ontslagbesluit al op of omstreeks 29 maart 2017 kenbaar is gemaakt aan eiser en eiser het voornemen tot dit ontslag nog eerder kende. Het talmen met het aanhangig maken van de onderhavige procedure maakt het belang van eiser minder zwaarwegend. De continuïteit van de onderneming is er ook niet mee gediend dat eiser voor deze korte periode terugkeert, en dit des te minder nu ter zitting is gebleken dat International P inmiddels een andere statutair directeur heeft aangesteld.
De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om een voorziening te treffen ter zake van het ontslag of de schorsing van eiser. Indien eiser schade heeft geleden door de voormelde premature mededeling en/ of door schending van de statutaire bepaling dat een schorsing van een statutair bestuurder maximaal drie maanden mag duren (welke schending niet zonder meer vaststaat, nu na het ontslag van eiser als statutair bestuurder niet langer gesproken kan worden van een schorsing), zal zich dit moeten oplossen in een eventuele schadevergoeding.
De door de advocaat van eiser gevorderde rehabilitatie zal eveneens worden afgewezen. Bedoeld wordt kennelijk een vordering tot rectificatie van de – destijds nog – premature mededeling dat eiser niet meer werkt voor International P. Het premature van die mededeling is echter achterhaald door de feiten, nu de schorsing en het ontslag van eiser stand houden in (in ieder geval) de onderhavige procedure. Een rectificatie zou dan als mosterd na de maaltijd komen en verwarring kunnen wekken bij de relaties van International P.
Nu de hoofdvorderingen zullen worden afgewezen, zal ook de nevenvordering inzake vergoeding van buitengerechtelijke kosten afgewezen worden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over bestuurders in het ondernemingsrecht, over de statutair-bestuurder, over het ontslag van bestuurders of over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een bestuurder, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150