Van onze advocaat ondernemingsrecht. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 5 juli 2017 uitspraak gedaan over artikel 2:203 BW. Bekrachtiging door een andere vennootschap dan de in de overeenkomst genoemde B.V. in oprichting werd toelaatbaar geoordeeld. Voldoende identiteit tussen vennootschap die overeenkomst heeft bekrachtigd en de uiteindelijk niet opgerichte B.V. Na bekrachtiging is oprichter niet langer hoofdelijk verbonden.
De advocaat van eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij met gedaagde een hem bindende overeenkomst heeft gesloten, krachtens welke hem een vergoeding van gemaakte huurkosten en een bijdrage aan een gezamenlijk informatiesysteem toekomt.
De advocaat van gedaagde heeft dat gemotiveerd betwist. Het meest verstrekkende verweer is, dat niet hij in privé juridisch gebonden is aan de overeenkomst van samenwerking, maar de besloten vennootschap, gevestigd in het praktijkpand, waarvoor hij bij het sluiten van de overeenkomst optrad. Weliswaar was deze vennootschap toen nog niet opgericht, maar na oprichting heeft de besloten vennootschap de rechtshandeling uitdrukkelijk bekrachtigd.
Artikel 2:203 BW : bekrachtiging van een rechtshandeling van een BV in oprichting
De eerste twee leden van artikel 2:203 BW luiden, voor zover van belang, als volgt:
- Uit rechtshandelingen, verricht namens een op te richten vennootschap, ontstaan slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt (…).
- Degenen die een rechtshandeling verrichten namens een op te richten vennootschap zijn, tenzij met betrekking tot die rechtshandeling uitdrukkelijk anders is bedongen, daardoor hoofdelijk verbonden, totdat de vennootschap na haar oprichting de rechtshandeling heeft bekrachtigd.
Bij arrest van 8 juli 1992, NJ 1993, 116 (Candy) heeft de Hoge Raad overwogen dat uit deze bepalingen voortvloeit dat een persoon – zoals in dit geval eiser – die een overeenkomst heeft gesloten met een ander die namens een op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid handelt, slechts uit die overeenkomst kan worden aangesproken door een nadien opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, wanneer deze laatste de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd en bovendien moet worden aangemerkt als een vennootschap die partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam. Of van het laatste sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. Voorts is bij dat arrest overwogen:
“Heeft degene die handelde namens de op te richten vennootschap dit gedaan in het kader van de uitoefening van een bedrijf, aangeduid als vennootschap (B.V.) in oprichting (i.o.) dan kunnen onder meer van belang zijn: de namen van de vennootschap in oprichting en de opgerichte vennootschap; de bij de beide vennootschappen betrokken personen; de aard van het door de vennootschappen uitgeoefende bedrijf; het kapitaal van de opgerichte vennootschap in het licht van de omvang van de transactie; hetgeen in de akte van oprichting omtrent de vennootschap in oprichting is verklaard (daaronder begrepen dat daaromtrent niets is verklaard); hetgeen omtrent de beide vennootschappen in het handelsregister is ingeschreven.”.
Bij op 12 februari 2007 schriftelijk vastgelegde “overeenkomst van samenwerking” is overwogen dat de in die overeenkomst genoemde huisartsen in Oisterwijk hun praktijk uitoefenen en dat gedaagde voornemens is in Oisterwijk een apotheek te vestigen.
Volgens gedaagde is niet hij in privé aan deze overeenkomst gebonden, de BV is partij geworden bij deze overeenkomst, zodat hij niet langer hoofdelijk verbonden is als bedoeld in artikel 2:203, lid 2, BW omdat de vennootschap de rechtshandeling uitdrukkelijk heeft bekrachtigd. Daartoe heeft hij verwezen naar het overgelegd stuk, gedateerd 5 juni 2008, waarin gedaagde in zijn hoedanigheid van enig bestuurder van Holding – welke vennootschap enig bestuurder is van de besloten vennootschap – verklaart “alle rechtshandelingen – die namens de vennootschap in oprichting voor de inschrijving in het handelsregister zijn verricht – te bekrachtigen.”.
Volgens eiser kan de BV niet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam, zodat de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van gedaagde met de bekrachtiging niet is geëindigd.
Dienaangaande wordt overwogen als volgt. Uit de samenwerkingsovereenkomst blijkt dat de ondertekenaars in 2007 beoogden in een door derden nog tot stand te brengen en gezamenlijk, althans gelijktijdig, te huren praktijkpand samen te werken bij de exploitatie van huisartsenpraktijken en een apotheek. Uit de aanhef van de samenwerkingsovereenkomst blijkt dat gedaagde daarbij kenbaar heeft gemaakt dat hij voornemens was een vennootschap op te richten als drager van rechten en verplichtingen die uit de samenwerkingsovereenkomst voortvloeien.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vennootschap nooit is opgericht en, naar de kantonrechter begrijpt, dat de besloten vennootschap is aan te merken als een willekeurige vennootschap, omdat geen identiteit bestaat tussen de op te richten vennootschap en de opgerichte vennootschap.Dit standpunt wordt niet onderschreven.
Gedaagde heeft onweersproken gesteld dat zijn holding enig bestuurder is van de besloten vennootschap en dat gedaagde enig bestuurder is van de holding. In zoverre is de besloten vennootschap te herleiden naar gedaagde, die bij de ondertekening van de overeenkomst aan (onder meer) eiser kenbaar heeft gemaakt voornemens te zijn een vennootschap op te richten ter nakoming van de verplichtingen krachtens die samenwerkingsovereenkomst. De besloten vennootschap is ook daadwerkelijk gevestigd in het gehuurde praktijkpand en deze vennootschap exploiteert ook – zoals voorzien bij de overeenkomst van samenwerking – een apotheek.
Waar de bedrijfsvoering en de zeggenschap zijn gevestigd overeenkomstig de bij het sluiten van de overeenkomst van samenwerking nog op te richten besloten vennootschap, is sprake van voldoende identiteit, zodat de bekrachtiging het daarmee beoogde effect heeft gesorteerd.
Dat bij de oprichting van de besloten vennootschap niet is gekozen voor dezelfde naam leidt niet tot een ander oordeel omdat – het voren overwogene in aanmerking genomen – niet kan worden geoordeeld dat deze vennootschap niet de beoogde vennootschap is, gedaagde in wezen een willekeurige derde.
Overeenkomstig artikel 2:203, lid 2, BW was gedaagde derhalve gebonden tot de bekrachtiging van de rechtshandeling door de besloten vennootschap op 5 juni 2008. Sedertdien is gedaagde uit de hoofdelijkheid ontslagen. Op grond hiervan dient de vordering tegen gedaagde te worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, de bekrachtiging van een rechtshandeling van een BV in oprichting of over vereenzelviging, belt u dan gerust onze advocaat ondernemingsrecht op 020-3980150.