Van onze advocaat bedrijfsovername. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 1 augustus 2017 uitspraak gedaan over de uitleg van een beding betreffende de waardebepaling van goodwill in een aandeelhoudersovereenkomst.

Appellant en geïntimeerde waren, gezamenlijk met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid S BV aandeelhouder van S BV. Op 1 september 2006 is tussen geïntimeerde, appellant een aandeelhoudersovereenkomst gesloten waarin de bepaling staat dat de koopprijs van het 10% belang in de call optie wordt bepaald door de intrinsieke waarde van de aandelen zoals die ten tijde van de uitoefening van de optie zal luiden, eventueel te verhogen met een alsdan nader te bepalen “goodwill”. Bij schrijven van 8 oktober 2010 heeft geïntimeerde de call optie ingeroepen. Partijen hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken over de hoogte van die intrinsieke waarde. Ook over de vraag of de koopprijs verhoogd dient te worden met een bedrag wegens goodwill verschillen partijen van mening.

De waardebepaling van goodwill in een aandeelhoudersovereenkomst

 De advocaat van appellant stelt dat op het moment van uitoefenen van de calloptie op 8 oktober 2010 door geïntimeerde goodwill in de onderneming W aanwezig was. Deze stelling heeft appellant in zijn memorie van grieven voldoende onderbouwd en gespecificeerd.

Appellant voert aan dat onder Goodwill in de zin van de overeenkomst dient te worden verstaan de contante/gekapitaliseerde waarde van de overwinst, dat wil zeggen de normale jaarwinst. Die goodwill vertegenwoordigt de toekomstige inkomsten die nog niet gewaardeerd zijn op de balans maar die wel al bestaan in de vorm van kennis, klanten en personeel.

Volgens appellant is het verschil tussen de marktwaarde, berekend met de DCF-methode en de intrinsieke waarde de goodwill.

Appellant heeft de goodwill laten begroten door een accountant, te weten accountant A. Aan de hand van de DCF-methode heeft de accountant de ondergrens bepaald op € 503.500,- en de bovengrens op € 1.353.500,-.

De advocaat van appellant heeft bij pleidooi in hoger beroep verklaard dat op zijn verzoek de goodwill door de financieel directeur in de overeenkomst is gezet, dat hij, appellant, een extra beloning wilde voor de tijd dat hij de beschikking had over de aandelen, dat hij dat vanaf september 2006 beloond wilde zien, dat de financieel directeur daarop een nieuwe versie van de overeenkomst aan hem toezond waarin punt 8 was toegevoegd, dat zij er verder niet over gesproken hebben en dat hij, appellant, geen uitleg heeft gekregen over de inhoud van de goodwill.

De advocaat van geïntimeerde heeft aangevoerd dat onder goodwill in de aandeelhoudersovereenkomst dient te worden verstaan de persoonlijke bijdrage van appellant aan de winstgevendheid van de onderneming W. Appellant heeft op geen enkele wijze bijgedragen aan de uitbreiding van de klantenkring of de winstgevendheid van W. Uitdrukkelijk is niet bedoeld de goodwill op basis van winstcapaciteit als vermogensbestanddeel van W. Dit is volgens geïntimeerde ook logisch omdat appellant zijn 10% aandelenbelang slechts kreeg als tijdelijke oplossing in afwachting van de verwerving van de aandelen door geïntimeerde. Appellant hield de aandelen niet voor zichzelf en hij heeft een koopprijs betaald die was gebaseerd op de intrinsieke waarde van W. Appellant heeft voor de aandelen nooit enig bedrag aan goodwill op basis van winstcapaciteit betaald. Het ging slechts om een tijdelijke stalling van de aandelen bij appellant. De prijs van de aandelen zou worden vastgesteld op basis van gelijke uitgangspunten als bij de verwerving door appellant per 31 december 2003.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de financieel directeur, gevolmachtigde van geïntimeerde, verklaard dat punt 8 van de aandeelhoudersovereenkomst op verzoek van appellant in de tweede versie van die overeenkomst is opgenomen, dat de tekst van deze versie door hem, financieel directeur, is opgemaakt, dat het een prikkel was voor appellant om zich extra commercieel in te spannen, dat naderhand, als appellant zich extra had ingespannen en dat tot extra resultaten zou hebben geleid, gekeken zou worden of daar een passende vergoeding tegenover kon komen te staan, dat dat in overleg nader bepaald zou worden en dat, indien ze niet uit dat gezamenlijk overleg zouden komen, geen goodwill zou worden uitgekeerd.

“Goodwill”, zo heeft de financieel directeur verder ten overstaan van het hof verklaard, staat in de overeenkomst met een hoofdletter en tussen aanhalingstekens geschreven omdat het woord goodwill niet werd gebruikt en bedoeld zoals het in zijn originele betekenis geldt en dat hij, financieel directeur dat ook zo heeft uitgelegd aan appellant.

De financieel directeur heeft verder verklaard dat hij niet heeft uitgelegd aan appellant wat de betekenis was van “nader te bepalen” en dat, indien zij niet uit het overleg zouden komen, geen vergoeding zou worden uitgekeerd. De elementen die van belang zouden zijn voor het bepalen van de goodwill zijn niet met appellant besproken, zo heeft financieel directeur verder verklaard.

Met het woord “eventueel” in de overeenkomst was een voorwaarde bedoeld en wel in die zin dat het om een extra inspanning van appellant ging die daadwerkelijk iets had opgeleverd, hetgeen hij, financieel directeur ook zo met appellant heeft besproken, aldus de verdere verklaring van financieel directeur bij pleidooi.

Voor het geval voorgaande uitleg niet wordt gevolgd, is geïntimeerde van mening dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat appellant aanspraak maakt op goodwill omdat hij de aandelen slechts tijdelijk verkreeg, hij bij de verwerving nooit enig bedrag aan goodwill heeft betaald en appellant de goodwill nog voor de peildatum is gaan afbreken door relaties van Wegtransport te bedienen met zijn eigen onderneming.

Tenslotte betwist geïntimeerde de begroting van de goodwill, zoals opgemaakt door accountant voornoemd.

Gezien de betwisting van de inhoud van de overeenkomst staat de door appellant bepleite uitleg niet vast en dient het hof allereerst de inhoud van de overeenkomst vast te stellen. Daarbij geldt als maatstaf dat de betekenis van een omstreden beding in een schriftelijke overeenkomst door de rechter moet worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit een en ander volgt dat redelijkheid en billijkheid hierbij een rol spelen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over een bedrijfsovername, over een aandeelhoudersovereenkomst of over de vergoeding en waardebepaling van de goodwill van een onderneming, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.