Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Rotterdam heeft op 7 juli 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde facturen. Vordering was ingesteld tegen de B.V. en de directeur-groot aandeelhouder. Beklamel norm & Spaanse Villa.

Bestuurdersaansprakelijkheid

Uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor (een tekortkoming in) de nakoming van haar verbintenissen. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van de vennootschap, ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap.

Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Bestuurdersaansprakelijkheid : de Beklamelnorm

Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt.

In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden (Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2627). De Beklamel- norm kan ook toepassing vinden in gevallen waarin in het kader van een voortdurende overeenkomst verplichtingen ontstaan door nieuwe opdrachten op initiatief van de rechts- persoon (Gerechtshof Den Haag 25 november 2014, GHDHA:2014:4441).

De advocaat van eiser heeft ter onderbouwing van zijn vordering jegens gedaagde aangevoerd dat per datum van de indiening van het faillissementsverzoek, te weten 29 september 2016, verschillende opeisbare vorderingen bestonden van in totaal € 66.987,88 waarvan N een bedrag van € 28.661,51 niet heeft betwist, zo blijkt uit het vonnis van de rechtbank waarin het faillissement van N is uitgesproken. Nu na 29 september 2016 geen betaling van voornoemde vorderingen heeft plaatsgevonden, verkeerde N in de toestand dat zij was opgehouden te betalen, aldus de advocaat van eiser.

De advocaat van eiser stelt dat, nu N in een toestand verkeerde waarin zij was opgehouden te betalen, gedaagde niet de betalingstoezeggingen had mogen doen die zij heeft gedaan. Eiser stelt echter ook dat N per 29 september 2016 in de toestand verkeerde dat zij was opgehouden te betalen. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde nadien betalings-toezeggingen aan eiser heeft gedaan.

De betalingstoezeggingen die voordien (onbetwist) door gedaagde zijn gedaan zouden in theorie onrechtmatig kunnen zijn, indien eiser daardoor juridische diensten voor N is blijven verrichten terwijl gedaagde wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat daarvan geen betaling door N zou volgen. Er zijn echter onvoldoende concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot deze conclusie zouden kunnen leiden. De advocaat van eiser heeft slechts gesteld dat gedaagde vanaf het moment waarop zij wist dat N niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen, had moeten stoppen met het geven van nieuwe instructies tot het verrichten van juridische werkzaamheden. Vaststaat dat de laatste factuur van eiser dateert van 4 juli 2016. Na 1 juli 2016 heeft eiser geen gefactureerde werkzaamheden voor N meer verricht. Eiser heeft niet gesteld op welk moment de hiervoor bedoelde kennis bij gedaagde aanwezig was (of behoorde te zijn), anders dan vlak voor het faillissement, en waaruit dit dan zou volgen.

In dit kader overweegt de kantonrechter ten overvloede dat de omstandigheid dat een vennootschap in zwaar weer verkeert niet zonder meer de conclusie kan dragen dat degene die feitelijk de gang van zaken binnen de vennootschap bepaalt jegens haar schuldeisers onrechtmatig handelt door nieuwe verplichtingen namens de vennootschap aan te gaan. Om tot vorenbedoelde aansprakelijkheid te komen moet een vennootschap zich ten tijde van het aangaan van de betalingsverplichting in een uitzichtloze situatie bevinden en over onvoldoende continuïteitsperspectief beschikken, en de bestuurder moet hierdoor weten, of redelijkerwijze behoren te begrijpen, dat zijn handelen schade zal toebrengen aan de desbetreffende schuldeiser.

Voor zover eiser heeft bedoeld aan te voeren dat gedaagde onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens N en daarom aansprakelijk moet worden gehouden voor de nakoming daarvan, overweegt de kantonrechter als volgt.

Wanneer ervan wordt uitgegaan dat gedaagde wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat geen sprake zou zijn van nakoming van de vaststellingsovereenkomst door N, dient er tevens een causaal verband te bestaan tussen het handelen van gedaagde en de door eiser geleden schade. Eiser dient dan door de verkeerde voorstelling van zaken door gedaagde in een nadeliger situatie te verkeren dan vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. De (onbetaald gelaten) vordering van eiser op N bestond echter al vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst betreft slechts een in dit kader getroffen betalingsregeling. Het hiervoor bedoelde causaal verband ontbreekt derhalve. De kantonrechter is daarom van oordeel dat in het midden kan blijven of gedaagde daadwerkelijk onrechtmatig heeft gehandeld bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.

Bestuurdersaansprakelijkheid : Spaanse Villa

Het beroep van eiser op het Spaanse Villa-arrest kan evenmin slagen. Dat arrest had geen betrekking op het handelen van de betrokkene bij zijn taakvervulling als bestuurder van een vennootschap, maar op de vraag of de betrokkene voor zichzelf, optredend als deskundig bemiddelaar (dienstverlener), had gehandeld in strijd met een op hem in die hoedanigheid rustende zorgvuldigheidsnorm.

Indien sprake is van handelen in het kader van de taakvervulling als bestuurder van een vennootschap, dient de vraag of de bestuurder ook persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die de wederpartij lijdt ten gevolge van wanprestatie of een onrechtmatige daad van de vennootschap, steeds overeenkomstig de hiervoor weergegeven maatstaf te worden beantwoord (Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2628).

Gelet op al het voorgaande wordt de vordering van eiser jegens gedaagde afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, over een persoonlijk ernstig verwijt van de bestuurder van een onderneming of over de aansprakelijkheid van bestuurders voor het onbetaald blijven van facturen, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.