Van onze advocaat bedrijfsovername. De Rechtbank Amsterdam heeft op 28 februari 2019 uitspraak gedaan over een vordering in kort geding tot de gedwongen overdracht van aandelen na uitstoting van een partner in een maatschap.

In dit kort geding is – weer – de vraag aan de orde of gedaagde op dit moment gehouden is zijn aandelen aan eiseres over te dragen.

Gedaagde is als Partner partij bij de ‘Partnership Agreement’ die door eiseres mede is ondertekend (hierna: de PA).

Gedaagde is daarnaast houder van 6.000 aandelen A en 6.000 aandelen B. Zijn rechten en plichten als aandeelhouder worden geregeerd door de statuten.

Kort geding. Vordering tot de gedwongen overdracht van aandelen na ‘uitstoting’ van partner in een maatschap. Partnership Agreement. Ontslag?

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen focussen bij de beantwoording van de vraag of gedaagde op dit moment gehouden is zijn aandelen aan eiseres over te dragen op (de bepalingen in) de PA en de uitleg daarvan.

Partijen zien de PA, zoals zij desgevraagd ter zitting nogmaals hebben bevestigd, als een maatschapsovereenkomst of een overeenkomst die daar het meest op lijkt (aldus de advocaat van eiseres), niet als een aandeelhoudersovereenkomst tussen de aandeelhouders van eiseres.

Bij de beoordeling mag echter niet uit het oog worden verloren dat de PA is getiteld “Partnership Agreement”, dat ‘Partners’ in de PA is gedefinieerd als “those persons who are (i) a Shareholder, (ii) an employee, and (iii) a party tot this Partnership Agreement”.

Niet alleen gedaagde, maar ook de andere Partners (partij bij de PA), zijn dus (in beginsel) ook aandeelhouder van eiseres en kunnen alleen aandeelhouder van eiseres zijn als zij ook werknemer zijn van een van de groepsmaatschappijen van eiseres.

De maatschap die is belichaamd in de PA bestaat derhalve (in beginsel) uit dezelfde personen (Partners) als de aandeelhoudersvergadering van eiseres.

Tegen die achtergrond kan een besluit van de Partners (partij bij de PA), zoals de voorzieningenrechter in het eerste kort geding heeft gedaan, materieel worden gezien als een besluit van de aandeelhouders(vergadering) van eiseres.

Tevens is voor de beoordeling van de voorliggende vraag – anders dan eiseres meent – van belang dat gedaagde ook werknemer is van een van de groepsmaatschappijen en dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen dat werknemerschap en zijn hoedanigheid van Partner en aandeelhouder.

Zoals eiseres terecht stelt, vormen onderling vertrouwen en samenwerking de basis en steunpilaren van een ‘partnership’.

Dit betekent enerzijds dat – zoals eiseres bij herhaling stelt – als het noodzakelijke vertrouwen weg is, niet goed voorstelbaar is dat samenwerking binnen die ‘partnership’ nog langer mogelijk is.

Anderzijds betekent dit dat een besluit tot ‘Removal’ van een Partner, zoals onderwerp van geschil, zeer verstrekkende gevolgen voor de betreffende Partner (in dit geval gedaagde) heeft en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid moet worden genomen

Zoals hiervoor is overwogen, zien partijen de PA als een maatschapsovereenkomst.

Het ontslagbesluit is door gedaagde vernietigd omdat het volgens hem naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij met een beroep op artikel 20.8 PA wordt ontslagen, nu er geen echte, althans geen gewichtige, reden voor ontslag is (artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 7A:1684 lid 1 BW).

Gedaagde stelt daarnaast dat sprake is van misbruik van bevoegdheid nu hij door dat besluit onevenredig in zijn belangen wordt getroffen (artikel 3:13 BW).

De voor gedaagde ’s ontslag aangevoerde gronden zijn onterecht en ongefundeerd en kwalificeren bovendien niet als ‘cause’ in de zin van artikel 20.4 Partnership Agreement. Artikel 20.4 sub 3c PA vereist opzettelijk of herhaaldelijk wangedrag van de Partner of grove nalatigheid van diens werkzaamheden resulterend in materieel negatieve gevolgen voor de Partnership.

Bovendien heeft de rechter in Duitsland in de ontslagzaak geoordeeld dat de gemaakte verwijten geen gegronde reden zijn voor het ontslag van gedaagde als werknemer is, aldus de advocaat van gedaagde.

De advocaat van eiseres stelt primair dat gedaagde zijn ontslag als Partner niet op inhoudelijke gronden kan aanvechten omdat het enkele feit dat een Partner, nadat de juiste procedure is gevolgd, wordt weggestemd als ‘Removed Partner’, een (voldoende) ‘cause’ is om hem te ‘ontslaan’ als Partner op de voet van artikel 20.4 sub 3 PA.

Het is echter de vraag of deze bepaling in de PA zo beperkt moet en mag worden uitgelegd.

Zowel bezien vanuit het vennootschapsrecht (artikel 2:15 BW) als bezien vanuit het contractenrecht, moet het mogelijk zijn een dergelijk (verstrekkend) besluit te (laten) toetsen op inhoudelijke gronden (door een rechter, in dit geval in de overeengekomen arbitrage).

Indien de voor het ontslag aangevoerde grond op drijfzand is gebouwd, zoals gedaagde uitvoerig gemotiveerd betoogt, is het mogelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat eiseres zich op de gevolgen van dat besluit beroept of is het besluit mogelijk vernietigbaar op grond van artikel 2:15 BW.

In beide gevallen zal de rechter terughoudendheid moeten betrachten bij het toepassen van deze toets, maar dat neemt niet weg dat gedaagde recht heeft op een inhoudelijke toetsing van het besluit.

Op dit moment wordt die inhoudelijke toets door de Duitse rechter uitgevoerd voor zover het de reden voor ontslag van gedaagde als werknemer betreft.

Anders dan eiseres stelt, acht de voorzieningenrechter de uitslag van deze procedure wel van belang voor de procedure tot ‘Removal’ van gedaagde als Partner. De redenen voor het ontslag zijn in beide gevallen immers in grote lijnen hetzelfde en het oordeel van de Duitse rechter, ook al toetst deze aan het Duitse arbeidsrecht, kan van belang zijn voor de vraag of de verwijten die eiseres gedaagde maakt feitelijk juist zijn en dus mogelijk ook of deze voldoende ‘cause’ voor ontslag als Partner opleveren in de zin van artikel 20.4 sub 3c PA.

Het voorgaande brengt met zich dat thans nog niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat gedaagde, zoals eiseres stelt, moet worden aangemerkt als een ‘Removed Partner’ en in die ‘hoedanigheid’ zonder meer op grond van de artikelen 20.8 en 20.9 van de PA is gehouden zijn aandelen over te dragen aan eiseres.

Gelet hierop ligt thans de vraag voor of van eiseres, zoals zij betoogt, inderdaad niet kan niet worden verlangd dat zij de uitkomst van de procedure in Duitsland en een eventuele (arbitrale) bodemprocedure afwacht.

Eiseres heeft hiertoe eigenlijk alleen aangevoerd dat de gerechtvaardigde belangen van eiseres zich ertegen verzetten dat een ‘Removed Partner’ nog aandeelhouder is en als zodanig betrokken is bij eiseres en als aandeelhouder over bedrijfsvertrouwelijke informatie komt te beschikken.

Eiseres wordt hierin niet gevolgd.

Niet aannemelijk is geworden dat de geschonden vertrouwensrelatie een onmiddellijke ordemaatregel vergt.

Allereerst is in artikel 20.8 PA bepaald dat een Partner vanaf het moment dat hij als ‘Removed Partner’ wordt aangemerkt de aandeelhouders-vergaderingen niet langer meer mag bijwonen (“Any notice provided under this Section 20 respecting the removal of a Partner shall be deemed an announcement pursuant to Chapter VI, Article 14.1 of the Articles, thereby removing a Partner’s right to attend or cast a vote at any meeting of Shareholders”).

Ter zitting is aan de orde gekomen dat gedaagde zich afzijdig houdt van ‘partneraangelegenheden’ en voorlopig alleen zijn positie als aandeelhouder wil waarborgen.

Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat eiseres last heeft van een tijdelijke bevriezing van de situatie.

Voor gedaagde geldt daarentegen dat hij met de overdracht van zijn aandelen bij voorbaat (en naar verwachting onomkeerbaar) zijn positie als aandeelhouder en een bron van inkomen (dividend) verliest.

Volgens gedaagde zal naar verwachting de Duitse rechter in hoger beroep in april 2019 uitspraak doen over de rechtsgeldigheid van het ontslag van gedaagde. Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat hij, als hij zijn positie van werknemer verliest, ook geen aandeelhouder meer kan zijn en op grond van de statuten van eiseres gehouden is tot aandelenoverdracht.

Zeker in dat licht kan van eiseres in ieder geval worden gevergd de uitkomst van de Duitse ontslagprocedure af te wachten.

Mocht die procedure niet tot (de rechtsgeldigheid van) het ontslag van gedaagde leiden, kan van eiseres ook – en misschien wel des te meer – worden gevergd dat zij een eventuele arbitrageprocedure afwacht, mits die binnen afzienbare tijd aanhangig wordt gemaakt en gedaagde zich in de tussentijd afzijdig houdt van, zoals hij het zelf noemt, ‘partneraangelegenheden’.

De belangen van gedaagde wegen dan ook zwaarder dan het belang van eiseres bij een spoedige overdracht van de aandelen.

Dit betekent dat de verzochte voorzieningen zullen worden geweigerd en de overige stellingen van partijen over en weer geen verdere bespreking meer behoeven.

Zoals hiervoor is overwogen, is het moeilijk voorstelbaar dat een partner deel kan blijven uitmaken van een ‘partnership’ als de onderhavige als sprake is van een onherstelbare vertrouwensbreuk (ook als deze, zoals gedaagde stelt, zou zijn gebaseerd op ongefundeerde of te weinig ernstige verwijten).

Dit betekent dat ook als in de bodemprocedure(s) wordt geoordeeld dat eiseres – kort gezegd – in redelijkheid niet tot het besluit tot ontslag van gedaagde als werknemer en/of tot ‘Removal’ van gedaagde als Partner had kunnen komen, herstel van de oude situatie minst genomen ingewikkeld zal zijn, zodat een dergelijk oordeel naar verwachting zal resulteren in de betaling van een schadevergoeding door eiseres aan gedaagde.

De voorzieningenrechter geeft partijen dan ook in overweging om – nadat de Duitse rechter uitspraak heeft gedaan – met elkaar in overleg te treden over de beëindiging van de relatie.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over aandeelhouders, over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht of over uitstoting of de uitkoop van aandeelhouders, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.