Van onze advocaat aandeelhouder. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 maart 2019 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een aandeelhouder in een enquêteverzoek gezien de gestelde kapitaaleis.

Aandeelhouder L heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de onderneming H en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen.

Ter toelichting heeft L – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht:

Aan L wordt op ondeugdelijke gronden informatie onthouden door het bestuur van H en haar belangen als minderheidsaandeelhouder worden genegeerd; Het bestuur komt de statutaire verplichting de door S aangeboden aandelen aan te bieden aan de medeaandeelhouders, onder wie L, niet na; Het door het bestuur gevoerde beleid is niet gericht op het belang van de onderneming.

H heeft aangevoerd dat L niet ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal van H vertegenwoordigt en ook anderszins niet voldoet aan de in artikel 2:346 BW neergelegde criteria; om die reden kan zij niet worden ontvangen in haar enquêteverzoek.

Het beweerdelijk hebben van aanspraken op aandelen in het kapitaal van de vennootschap – wat daar verder ook van zij – doet niet af aan het feit dat L momenteel niet ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt; dat L mogelijk in de toekomst aan de kapitaalseis zou kunnen voldoen, leidt niet tot ontvankelijkheid op dit moment.

Ten aanzien van de aandelen waarop L aanspraak zegt te maken, kan zij thans niet worden gelijkgesteld met een verschaffer van risicodragend kapitaal, noch heeft zij een vorderingsrecht op de opbrengsten daarvan, aldus nog altijd H. Overigens betwist H gemotiveerd dat L aanspraken heeft op (een deel van) de voorheen door S gehouden aandelen.

L heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat zij een direct en voldoende economisch belang heeft bij meer dan 10% van de aandelen in het kapitaal van H, aangezien zij – naast haar eigen aandelen – op de statuten gegronde aanspraken heeft op ten minste een evenredig deel van de aandelen die S hebben aangeboden en daarmee direct economisch gerechtigde is tot dat deel van die aandelen. Volgens L komen deze feitelijk voor haar rekening en risico nu de prijs vaststaat (gelijk aan de prijs waarvoor ICM de aandelen heeft verworven) en waardestijgingen of -dalingen daarop geen invloed hebben.

Enquêterecht. Risicodragend kapitaal. Kapitaaleis. Economisch belang. Blokkeringsregeling. Is aandeelhouder ontvankelijk in het enquêteverzoek?

De Ondernemingskamer overweegt hierover als volgt.

De bevoegdheid tot het indienen van een verzoek tot het instellen van een enquête komt toe aan degenen aan wie deze bevoegdheid in de wet is verleend.

De daartoe strekkende opsomming in artikel 2:346 BW (en in artikel 2:345 lid 2 en 2:347 BW) is limitatief.

Volgens vaste rechtspraak brengt de strekking van het enquêterecht echter met zich dat de verschaffer van risicodragend kapitaal die een eigen economisch belang heeft in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft onder omstandigheden gelijkgesteld kan worden met de aandeelhouder of certificaathouder bedoeld in artikel 2:346 BW.

Voor een dergelijke gelijkstelling is slechts plaats indien en voor zover op grond van de feiten en omstandigheden van het geval kan worden geoordeeld dat het eigen economische belang van de verschaffer van risicodragend kapitaal in de vennootschap waarop het verzoek betrekking heeft van dien aard is dat het op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of een certificaathouder van die vennootschap.

L is verschaffer van risicodragend kapitaal, maar de aandelen die L houdt vertegenwoordigen minder dan een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal van H; zij voldoet daarmee niet aan de kapitaalseis van artikel 2:346 lid 1 aanhef en onder b BW.

De Ondernemingskamer verwerpt de stelling van L dat zij op het moment van indienen van haar verzoek (en ook thans), naast haar aandelenbelang van 9,8% van het geplaatste kapitaal van H, in wezen tevens verschaffer is van risicodragend kapitaal betreffende de aandelen waarop zij het kooprecht claimt.

Een betwiste aanspraak op overdracht is daarvoor onvoldoende. Evenmin heeft zij een recht in de zin van artikel 3:6 BW op de opbrengsten van die aandelen. Daarom kan niet worden gezegd dat zij met betrekking tot die aandelen een zodanig eigen economische belang heeft dat het op één lijn kan worden gesteld met het belang van een aandeelhouder of een certificaathouder van die vennootschap.

De door L gestelde aanspraak op overdracht van een deel van de overgedragen aandelen helpt haar belang dus niet over de bevoegdheidsdrempel heen.

L heeft voorts aangevoerd dat haar op de statuten gebaseerde aanspraak op overdracht van een deel van de voorheen door S gehouden aandelen door B wordt gefrustreerd en dat hij daarbij misbruik heeft gemaakt van zijn machtspositie in de organen van H.

Het door L gevraagde onderzoek ziet mede op de bestuurshandelingen die erop gericht waren te voorkomen dat L kon reflecteren op de door S aangeboden aandelen.

L stelt zich op het standpunt dat er geen materieel verschil is in de rechtspositie van een aandeelhouder die door onjuist beleid (bijvoorbeeld door verwatering of onteigening) de hoedanigheid van aandeelhouder verliest of niet langer aan de kapitaalseis voldoet en een aandeelhouder, zoals L, die door onjuist beleid (formeel) de bevoegdheidsdrempel niet over komt.

Wat er in zij van dit standpunt, de vraag of L, zoals zij aanvoert, op grond van de blokkeringsregeling in de vóór 30 juli 2018 geldende statuten recht kan doen gelden op overdracht van ten minste een evenredig deel van de voorheen door S gehouden aandelen in het kapitaal van H, staat ter beoordeling van de gewone burgerlijke rechter.

Het is niet op voorhand voldoende duidelijk dat deze vraag positief beantwoord dient te worden. Onder de nieuwe statuten kan de algemene vergadering besluiten de blokkeringsregeling buiten toepassing te laten, hetgeen ook is gebeurd in de algemene vergadering van 30 juli 2018.

Echter, ook al zou ervan moeten worden uitgegaan dat niet de nieuwe, maar de oude statutaire regeling van toepassing was op het aan de verkoop aan ICM voorafgegane aanbod van S – bijvoorbeeld op grond van het feit dat zij al eerder, voorafgaand aan de statutenwijziging, hun aandelen hadden aangeboden (nog afgezien van het feit dat zij dat aanbod binnen een week weer hadden ingetrokken) – dan kan daarmee nog niet worden uitgegaan van een rechtens afdwingbare aanspraak op overdracht van (een deel van) die aandelen aan L.

De statutaire blokkeringsregeling geeft de aanbieder van aandelen immers het recht zijn aanbod in te trekken tot een maand nadat hem definitief ter kennis is gekomen aan welke gegadigden hij al de aangeboden aandelen kan verkopen en tegen welke prijs.

Om die reden is het geen gegeven dat S (een deel van) hun aandelen aan L hadden moeten leveren (en dat L de prijs betaald zou hebben); zij zouden ook alsnog van de verkoop hebben kunnen afzien.

Daarmee ontvalt de grond aan het betoog van L, dat erop is gebaseerd dat zij op grond van de oude statutaire regeling zonder meer recht had op overdracht aan haar van (een deel van) de aandelen van S.

De slotsom is dat de Ondernemingskamer L niet ontvankelijk zal verklaren in haar verzoek.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over aandeelhouders of bestuurders in het vennootschapsrecht, over uitstoting of de uitkoop van aandeelhouders, over de geschillenregeling of over een blokkeringsregeling, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.