Van onze advocaat contractenrecht. De Rechtbank Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de gevolgen van de Brexit voor verworven rechten en vrijheden.

Op 23 juni 2016 stemde een kleine meerderheid van de Britse bevolking tijdens het zogenoemde Brexitreferendum voor terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (hierna: EU). Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Raad overeenkomstig artikel 50 lid 2 Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: VEU) genotificeerd over zijn voornemen tot terugtrekking uit de EU.

Gevolgen van de Brexit voor verworven rechten en vrijheden.

De rechter overweegt als volgt.

Het Weens verdragenverdrag en artikel 20 VWEU

Thans wordt toegekomen aan een beoordeling van de vorderingen en de grondslag(en) daarvan.

Deze grondslag bestaat in de kern in de verworven rechten en vrijheden die eisers ontlenen aan hun EU-burgerschap als bedoeld in artikel 20 VWEU.

Voor zover van belang voor het onderhavige geschil betreft dat het recht op vrij verkeer van personen en het recht om vrij te mogen verblijven, wonen en werken in andere lidstaten van de EU.

Deze rechten en vrijheden komen blijkens artikel 20 lid 1 VWEU toe aan burgers van de Unie, dat wil zeggen aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit, zoals thans nog het geval is met het Verenigd Koninkrijk. Eisers hebben die rechten en vrijheden ook daadwerkelijk uitgeoefend.

De gevolgen van het opzeggen van interstatelijke verdragen worden in het algemeen beheerst door het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht uit 1969 (Trb. 1985/79, hierna ook Weens Verdragenverdrag).

Dit Verdrag bevat onder meer bepalingen over de totstandkoming, uitleg, naleving en opzegging van verdragen. Indien wordt overgegaan tot opzegging van een verdrag volgt uit artikel 70 van het Weens Verdragenverdrag welke rechtsgevolgen voortvloeien uit een dergelijke opzegging.

Partijen zijn dan ontslagen van de verplichting om de uitvoering van het verdrag voort te zetten, maar de opzegging tast geen enkel recht, geen enkele verplichting of geen enkele rechtspositie van partijen aan die door (de uitvoering van) het verdrag vóór zijn beëindiging is ontstaan.

Het Weens Verdragenverdrag ziet op de rechtsgevolgen die een verdrag doet ontstaan tussen staten.

Het VEU en het VWEU verschillen daarvan in zoverre dat zij niet slechts rechten en verplichtingen tussen staten in het leven roepen, maar ook rechten en verplichtingen voor burgers van de Unie doen ontstaan.

In tegenstelling tot andere bilaterale en multilaterale verdragen roepen het VEU en het VWEU een eigen autonome rechtsorde in het leven, die losstaat van de nationale rechtsorde en ten behoeve waarvan de lidstaten van de EU hun soevereiniteit hebben begrensd (HvJEG 5 februari 1963, C-26/62, Jur. 1963, p. 3, ECLI:EU:C:1963:1 (Van Gend & Loos)).

Het Weens Verdragenverdrag biedt mitsdien geen uitsluitsel over de vraag wat de rechtsgevolgen zijn van opzegging van het VEU en het VWEU. Hiermee strookt dat het VEU een eigen regeling kent voor de te volgen procedure in geval een lidstaat te kennen geeft uit de EU te willen treden.

Uit het vorenstaande volgt dat de vraag wat de rechtspositie is van burgers van het VK die in een andere EU-lidstaat wonen en aldus gebruik hebben gemaakt van de hun aan artikel 20 VWEU ontleende rechten en vrijheden, na uittreding van het VK uit de EU, dient te worden beantwoord aan de hand van het EU-recht zelf.

Artikel 20 VWEU kent aan EU-burgers het recht op vrij verkeer en verblijf in overige lidstaten toe.

De constructie van deze bepaling impliceert een koppeling tussen het burgerschap van een lidstaat en het EU-burgerschap. Dientengevolge is verkrijging van het EU-burgerschap, met de daaraan verbonden rechten en vrijheden, voorbehouden aan onderdanen van de lidstaten van de EU. In dit licht is verdedigbaar dat, als keerzijde daarvan, het verlies van de hoedanigheid van burger van een EU-lidstaat ertoe leidt dat ook het EU-burgerschap verloren gaat. Deze conclusie is, gelet op het navolgende, echter niet zonder meer dwingend.

Verworven rechten

Over het leerstuk van verworven rechten heeft het HvJEU al herhaaldelijk geoordeeld.

Zijn rechtspraak kan als volgt worden samengevat.

In beginsel kunnen verworven rechten niet door latere besluiten worden ingetrokken.

Zulks volgt met name uit de aan het EU-recht ten grondslag liggende algemene rechtsbeginselen, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Als echter ten tijde van de toekenning van die rechten de daarvoor noodzakelijke juridische basis objectief gezien ontbrak, kan (zelfs met terugwerkende kracht) worden overgegaan tot intrekking van verworven rechten (HvJEG 12 juli 1957, C-3-7/56, Jur. 1957, p. 87; HvJEG 22 maart 1961, C-42 en 49/59, Jur. 1961, p. 103, pt. 10; HvJEG 26 april 2005, C-376/02, Jur. 2005, p. I-3445, pt. 32).

Bij het vorenstaande wordt aangetekend dat het HvJEU de vraag of van een verworven recht in vorenbedoelde zin sprake is, terughoudend beantwoordt.

Rechthebbenden kunnen immers niet steeds erop vertrouwen dat een bepaalde situatie niet voor verandering vatbaar zal zijn en dat zij aldus beschikken over een verworven, onaantastbaar recht.

Het antwoord op de vraag of, en zo ja in welke mate, (kort gezegd) afbreuk mag worden gedaan aan rechten waaraan EU-burgers aanspraken ontlenen en die zij daadwerkelijk uitoefenen, is ervan afhankelijk welke gerechtvaardigde verwachtingen deze burgers met betrekking tot (het voortbestaan van) die rechten mochten koesteren.

Hierbij speelt de mate van voorzienbaarheid van de inbreuk een grote rol.

Naarmate minder waarschijnlijk is dat inbreuk zal worden gemaakt op het recht, krijgt het – rechtens te beschermen – belang van de individuele burger bij continuïteit van zijn aanspraak een groter gewicht ten opzichte van het algemene belang, ook als dat ermee is gediend om inbreuk te maken op dat recht. En aangenomen dat de inbreuk gerechtvaardigd is, strekt de werking van het nieuwe besluit zich in dergelijke gevallen steeds slechts uit tot toekomstige situaties. (Zie voor dit alles HvJEU 19 juli 2012, C-522/10, ECLI:EU:C:2012:475 (Albert Reichel); HvJEG 5 oktober 1994, C-133, 300 en 362/93, Jur. 1994, p. I-04863; HvJEG 27 september 1979, C-230/78, Jur. 1979, p. 2749.)

In abstracto brengt de in artikel 50 VEU uitdrukkelijk geregelde mogelijkheid dat een lidstaat zich uit de EU kan terugtrekken, hoe onwaarschijnlijk het aanvankelijk ook leek dat van deze mogelijkheid ooit gebruik zou worden gemaakt, mee dat onderdanen van een EU-lidstaat – en dus ook van het VK – rekening moesten houden met de mogelijkheid dat de lidstaat waarvan zij de nationaliteit bezitten, uit de EU zou treden.

In concreto dienden eisers gedurende de afgelopen jaren steeds sterker rekening te houden met verwezenlijking van die – aanvankelijk onwaarschijnlijke – mogelijkheid, nu al jaren geleden door de toenmalige premier Cameron was aangekondigd dat in 2016 een referendum over het EU-lidmaatschap van het VK zou worden gehouden.

Het vorenstaande brengt echter niet zonder meer mee dat eisers ook konden voorzien dat dit zou kunnen leiden tot het verlies van onder meer hun recht om te wonen en te werken in andere EU-lidstaten.

Voordat het VK de wens daartoe te kennen gaf, had immers geen enkel andere lidstaat gebruik gemaakt van de in artikel 50 VEU geregelde mogelijkheid om zich uit de EU terug te trekken. Pas met het kenbaar maken van die wens, althans na het bekend worden van de uitslag van het referendum, dienden eisers concreet rekening te houden met de mogelijkheid dat hun rechten en vrijheden als onderdanen van een EU-lidstaat als bedoeld in artikel 20 VWEU, als gevolg van die uittreding verloren zouden gaan.

Dat moment is nog maar kort geleden. Onder deze omstandigheden is niet uitgesloten dat de rechten en vrijheden die burgers van het VK die in een ander EU-land woonden ontleenden aan artikel 20 VWEU, hebben te gelden als verworven rechten in de hiervoor in 5.15 en 5.16 bedoelde zin.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het internationaal contractenrecht of over het verdragenrecht of over de Brexit en de rechtsgevolgen daarvan voor verworven rechten of van contracten, belt u dan gerust onze advocaat internationaal contractenrecht op 020-3980150.