Het Gerechtshof Amsterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan of een vordering tot uitreding mogelijk was bij certificaten van aandelen.

A heeft B gedagvaard voor de rechtbank Limburg en de uitreding van B gevorderd.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis deze vordering afgewezen.

Volgens de rechtbank kan het door A ingeroepen artikel 2:343 BW niet dienen als grondslag voor haar vordering.

De rechtbank overwoog dat zij B niet kan veroordelen de certificaten in C over te nemen, nu “de certificaten immers worden gehouden door de E”.

Nu een andere grondslag niet is gesteld of gebleken, dienen de vorderingen van A te worden afgewezen, aldus de rechtbank.

De door A gestelde afspraak met betrekking tot de geschillenregeling van artikel 2:343 BW maakte dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Tegen deze beslissing van de rechtbank komt A in dit hoger beroep op.

In haar memorie van grieven betoogt zij dat de rechtbank ten onrechte het bepaalde in artikel 2:343 BW niet analoog heeft toegepast omdat a) partijen expliciete afspraken hebben gemaakt over toepassing van dit artikel en b) er in het onderhavige geval geen relevant verschil bestaat tussen de positie waarin zij zich thans als certificaathouder bevindt en de situatie waarin zij aandeelhouder zou zijn, juist omdat er geen scheiding is tussen de zeggenschapsrechten en het recht op dividend.

A heeft in dat verband ook een beroep gedaan op de eisen van redelijkheid en billijkheid als neergelegd in artikel 2:8 BW en de in dat verband in aanmerking te nemen post-relationele solidariteit die er haars inziens toe dient te leiden dat zij onafhankelijk van B moet kunnen beschikken over haar aandeel in het tijdens het huwelijk opgebouwde vermogen.

A stelt voorts dat ook inhoudelijk aan de vereisten van genoemd artikel wordt voldaan.

B betwist de door A gestelde afspraak, alleen al omdat artikel 2:343 BW gaat over aandelen en het hier certificaten betreft, en hij acht analoge toepassing van artikel 2:343 BW om dezelfde reden niet aan de orde.

Bij artikel 2:343 BW moet het gaan om gedragingen van medeaandeelhouders en het artikel is dus niet van toepassing op certificaathouders, aldus B.

Ook inhoudelijk wordt volgens hem niet aan de criteria van genoemd artikel voldaan.

Geschillenregeling. Overdracht aandelen. Certificaathouders. Vordering tot uitreding mogelijk bij certificaten van aandelen? Analogische toepassing.

De rechter oordeelt als volgt.

De Ondernemingskamer overweegt het volgende over haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van A in haar vordering ex artikel 2:343 BW.

De rechtbank heeft het bepaalde in artikel 2:343 BW niet van toepassing geacht en de op dit artikel gegronde vordering van A daarom afgewezen.

Omdat A dit oordeel in hoger beroep ter discussie stelt en betoogt dat haar vordering alsnog op de voet van genoemd artikel dient te worden toegewezen, is de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:343 lid 2 jo. artikel 2:336 lid 3 BW de bevoegde appelinstantie.

De Ondernemingskamer verwerpt het betoog van B dat A reeds vanwege de processuele complicaties van een dubbel appel (bij de Ondernemingskamer en het hof den Bosch) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De vraag of, en tegen welke prijs, A aanspraak kan maken op uittreding uit de vennootschap C is een van de overige geschilpunten te onderscheiden vraag.

Dat verschillende appelinstanties aldus over in eerste aanleg gezamenlijk ingestelde vorderingen oordelen, is inherent aan het wettelijk systeem. Van misbruik van procesrecht is geen sprake.

B heeft aangevoerd dat het bepaalde in artikel 2:343 BW alleen betrekking heeft op aandeelhouders en niet op certificaathouders.

In het midden kan blijven hoe hierover in algemene zin dient te worden geoordeeld en eveneens wat de betekenis is van de door A gestelde afspraak over toepassing van genoemd artikel.

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de positie van de certificaathouders in de onderhavige zaak zozeer vergelijkbaar is met een aandeelhouderspositie dat het bepaalde in artikel 2:343 BW hier naar analogie dient te worden toegepast.

Het onderhavige geval kenmerkt zich daardoor dat beide certificaathouders deel uitmaken van het bestuur van de E en dat de stemverhouding in het bestuur van de E (de aandeelhouder van C) het aantal certificaten dat beide certificaathouders houden weerspiegelt.

Als gevolg daarvan is de zeggenschap van de certificaathouders/economisch gerechtigden binnen (de algemene vergadering van) de vennootschap niet anders dan wanneer zij aandeelhouders zouden zijn.

De grief van A waarmee zij analoge toepassing van artikel 2:343 BW bepleit, is derhalve gegrond.

Dit brengt mee dat de Ondernemingskamer thans de vordering van A inhoudelijk zal beoordelen.

A en B zijn verwikkeld in de nasleep van een conflictueuze echtscheiding, die zijn weerslag heeft op de wijze van omgang binnen de E en C.

Van een constructieve samenwerking tussen A en B als bestuurders van de E (die onder meer heeft te beslissen over dividenduitkeringen uit C) respectievelijk van C is geen sprake en daarvoor is ook geen enkele basis meer.

Binnen het bestuur van C, waarin B en A gelijkelijk stemgerechtigd zijn, heeft dit geleid tot een patstelling.

Gebleken is dat B zonder A daarin te kennen gelden van C heeft omgeleid en dat hij A als bestuurder ook op andere wijze ten onrechte buiten spel heeft gezet.

Zo heeft hij haar buiten de administratieve en financiële verslaglegging gehouden en heeft hij zich eenzijdig tot de bank gewend om de betalingen waar de opdracht op zag te wijzigen en stop te zetten, in weerwil van de eerdere afspraak daarover.

De Ondernemingskamer is van oordeel dat van A in de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij certificaathouder van C blijft.

Bij dit oordeel speelt ook de aard van de onderneming een rol.

Sinds de verkoop van G omvat de onderneming van C voornamelijk liquide middelen en een pand en worden er geen ondernemingsactiviteiten meer verricht.

Uittreding van A is daarom voor B en voor C niet onredelijk bezwarend.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de Ondernemingskamer de vordering van A om B te veroordelen de certificaten die A houdt in C over te nemen, toewijsbaar acht.

Voor de beantwoording van de vraag welke prijs voor de certificaten moet worden betaald, zal de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:343 jo. artikel 339 BW een deskundige benoemen om daarover een schriftelijk bericht uit te brengen.

Aan de deskundige zal de vraag worden voorgelegd welke waarde aan alle aandelen in C moet worden toegekend, per de datum van dit tussenarrest dan wel een zo dicht mogelijk daarbij liggende door de deskundige vast te stellen voor de hand liggende andere datum.

De Ondernemingskamer zal de kosten van het voorschot voor de deskundige ten laste brengen van B.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat aandeelhouder over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting, uitkoop of uittreding van aandeelhouders, of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.

Wilt u meer weten over aandeelhouders in het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.