Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 12 november 2019 uitspraak gedaan over een geschil tussen aandeelhouders. Was sprake van een onzorgvuldig handelen van de meerderheidsaandeelhouder en bestuurder jegens een minderheidsaandeelhouder? Was er sprake van een ontnemen van een corporate opportunity? Afgeleide schade.

X vordert in deze procedure samengevat een verklaring voor recht dat D jegens T(althans X) toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting om T (althans X) voor 10% te laten meedelen in de toekomstige opbrengsten van de plantage, door D de corporate opportunity te ontnemen de aandelen in N, althans de plantage, te verwerven, althans deze corporate opportunity niet te benutten, en in plaats daarvan de aandelen in N zelf te verwerven zonder X daarvoor een marktconforme vergoeding te betalen of anderszins schadeloos te stellen en door vervolgens de ontbinding van D te bewerkstelligen, met verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Tevens vordert X een verklaring voor recht erop neerkomend dat dezelfde verwijten een onrechtmatige daad van D jegens haar behelzen, eveneens met verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Geschil tussen aandeelhouders. Onzorgvuldig handelen meerderheidsaandeelhouder en bestuurder jegens minderheidsaandeelhouder? Ontnemen van een corporate opportunity? Afgeleide schade?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank heeft, samengevat, het volgende overwogen.

Partijen hebben in januari 2008 gesproken over een samenwerking tussen T en D waarbij is afgesproken dat D de plantage verder zou financieren.

Tussen partijen is gesproken over een aandelenverhouding binnen D waarbij D 80%, T 10% en A 10% van de aandelen zou verkrijgen.

In ieder geval tot het voorjaar 2010 was het ook de bedoeling van D dat D 90% van de aandelen Niqel zou verkrijgen, in ruil waarvoor A eveneens 10% van de aandelen D zou krijgen.

Aldus zou D als houdstermaatschappij en Nl als werkmaatschappij fungeren en zou D de controle over de plantage verkrijgen.

Tussen partijen is niet in geschil dat T als indirect aandeelhouder van N voor circa 10% zou deelnemen in de plantage.

Gelet op de gemaakte afspraken rond de financiering van de plantage, de voorgenomen eigendomsverhoudingen en organisatiestructuur mocht X er destijds op vertrouwen dat de activiteiten in relatie tot de plantage via D zouden verlopen en dat hij aldus via T een belang van circa 10% in de plantage en de daarmee te behalen winsten zou hebben.

T heeft 90% van de aandelen D aan D overgedragen. D heeft op haar beurt de bedragen ter financiering van de plantage via D ter beschikking gesteld. De aandelen N zijn echter niet door D verworven. Daarmee is aan D (en indirect aan T) de mogelijkheid ontnomen om (indirect) in de plantage deel te nemen en is X met betrekking tot het door hem geïnitieerde project door D buitenspel gezet.

Door de aandelen in N zelf te verwerven zonder X daarvoor een marktconforme vergoeding te betalen of anderszins schadeloos te stellen, heeft D X benadeeld.

D heeft jegens X onrechtmatig gehandeld en is in beginsel gehouden de door X geleden schade te vergoeden.

Voldoende aannemelijk is dat X mogelijk (dividendinkomsten is misgelopen en aldus schade heeft geleden.

De rechtbank heeft voor recht verklaard dat D jegens X onrechtmatig heeft gehandeld door D de corporate opportunity om de aandelen in N, althans de plantage, te verwerven te ontnemen, althans deze corporate opportunity niet te benutten en in plaats daarvan de aandelen in N zelf te verwerven zonder X daarvoor een marktconforme vergoeding te betalen of anderszins schadeloos te stellen en vervolgens de ontbinding van D te bewerkstelligen.

De rechtbank heeft D veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Onzorgvuldig handelen?

Tussen partijen is niet in geschil dat D is geïnitieerd door X. Vanaf de oprichting van D vervulde X er een leidende positie via T, zijn persoonlijke houdstervennootschap waarvan X bestuurder en enig aandeelhouder was.

D is opgericht met het oog op het opzetten van plantages. Daartoe heeft D (via X) contact met A gelegd. A beschikte via de door hem gecontroleerde vennootschap N over (gebruiksrechten op) gronden in Mozambique. A had bovendien vergunningen weten te verkrijgen om op die gronden een plantage op te zetten. D wist (via X) te bewerkstelligen dat zij op die vergunningen stond vermeld als investeerder. Voorts heeft D (via X) investeerders aangezocht om de aanleg van de plantage te financieren. Hij legde daartoe onder meer contact met C en de door hem gecontroleerde vennootschappen waaronder D. Aldus heeft X bij de ontwikkeling van de plantage een beslissende rol vervuld.

Vanaf het moment dat C en de door hem gecontroleerde vennootschappen begin 2008 in beeld kwamen als investeerder in de plantage, is tussen X en D (in het bijzonder in de persoon van C en diens medewerker) gesproken over de wijze waarop de plantage zou worden gefinancierd.

De rode draad is telkens geweest (i) dat de investeringen in de plantage zouden worden gedaan via D, (ii) dat een door C gecontroleerde vennootschap een controlerend belang in D zou verwerven en het bestuur, althans de feitelijke leiding zou overnemen, en (iii) dat X, althans T als minderheidsaandeelhouder aan D verbonden zou blijven.

In lijn met deze opzet heeft T eind 2008 90% van de aandelen D tegen nominale waarde aan D overgedragen en is D bestuurder van D geworden.

Met deze transactie veranderde de rol van T en werd zij een passief investeerder met een minderheidsbelang.

Tegen deze achtergrond heeft T de controle over D, en daarmee over de investering in de plantage, uit handen gegeven.

Tegen de achtergrond van de voorgeschiedenis, waaronder in het bijzonder de initiërende rol van X, de bedoelde gezamenlijke opzet voor de investering in de plantage en het vertrouwen dat X aldus in D had gesteld, rustte mede gelet op het bepaalde in artikel 2:8 BW vanaf de aandelenoverdracht eind 2008 de verplichting op D als bestuurder en controlerend aandeelhouder van D de verplichting om voldoende zorgvuldigheid jegens X als (indirect) minderheidsaandeelhouder te betrachten.

Deze zorgvuldigheidsverplichting bracht mee dat D niet zonder instemming van X, althans zonder marktconforme vergoeding of andere wijze van adequate schadeloosstelling rechtstreeks in N zou investeren.

Dat niet is komen vast te staan dat een concrete afspraak is gemaakt over de beloning van X of X pas in april 2013 navraag heeft gedaan over de stand van zaken, maakt dit niet anders.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat D heeft gehandeld in strijd met haar verplichting om jegens X voldoende zorgvuldigheid te betrachten door eind 2012 rechtstreeks een 90%-belang in N te verwerven zonder X een marktconforme vergoeding te betalen of X anderszins schadeloos te stellen.

De rechtstreekse participatie geschiedde zelfs buiten medeweten van X. Voor zover in een geval als het onderhavige voor aansprakelijkheid jegens X vereist is dat D jegens X ernstig verwijtbaar heeft gehandeld (vgl. Hoge Raad, 20 juni 2008, HR:2008:BC4959, (Willemsen/NOM).

D handelde bij de verwerving van de aandelen weliswaar niet in hoedanigheid van bestuurder van D, maar het verwijt dat haar treft is wel mede gegrond op de omstandigheid dat zij bestuurder van D was), is het hof van oordeel dat daarvan inderdaad sprake is.

Daartoe is niet slechts redengevend dat D heeft gehandeld in strijd met de bedoelde opzet en dat zij daarmee, mede gelet op het vertrouwen dat X hieraan redelijkerwijs mocht ontlenen, onzorgvuldig jegens X heeft gehandeld.

Ook weegt mee dat de belangen van D in dezen tegenstrijdig waren met die van D en X.

Terwijl D als bestuurder van D gehouden was het uitsluitend belang van D te dienen en daarbij zorgvuldigheid jegens X als (indirect) minderheidsaandeelhouder te betrachten, heeft zij haar eigen, en daarmee strijdige, belangen doen prevaleren.

Aldus ontnam zij niet alleen D de mogelijkheid om een transactie aan te gaan die geheel past binnen haar doelomschrijving, maar ontnam zij ook X als initiator en (indirect) minderheidsaandeelhouder de (op dat moment reëel geachte) mogelijkheid om op termijn van deze investering te profiteren.

Aldus heeft D jegens X c.s. onrechtmatig gehandeld.

Hetgeen D daartegen verder nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Ook indien juist is, zoals D betoogt, dat de business case inmiddels (beduidend) minder sterk is gebleken dan door X was voorgespiegeld, doet dit niet af aan de zorgvuldigheid die D jegens X diende te betrachten.

Afgeleide schade

De grief klaagt verder dat de rechtbank niet heeft toegelicht waarom het ontnemen van een corporate opportunity aan D een onrechtmatige daad jegens X zou opleveren.

Het ontnemen van een corporate opportunity zou hooguit jegens D onrechtmatig kunnen zijn, niet jegens X.

De klacht vervolgt met de volgende passage: ‘De vordering van X gebaseerd op de corporate opportunity komt neer op een vergoeding voor de schade die X als aandeelhouder van D leidt als gevolg van de vermeende waardedaling van zijn aandelen in D. Dergelijke afgeleide schade komt op grond van vaste jurisprudentie naar Nederlands recht echter niet voor vergoeding in aanmerking, en derhalve is de door X gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.’

Bij de beoordeling van de klacht moet onderscheid worden gemaakt tussen (i) de schade die T in haar hoedanigheid van aandeelhouder van D stelt te hebben geleden, en (ii) de schade die X in hoedanigheid van aandeelhouder van T stelt te hebben geleden.

Wat de gestelde schade van T in hoedanigheid van aandeelhouder van D betreft, overweegt het hof als volgt.

De grief heeft geen betrekking op de (rechtstreekse) schade die T stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat D de ontbinding van D heeft bewerkstelligd.

Zij spitst zich toe op de schade als gevolg van het ontnemen van een corporate opportunity.

Ingevolge het arrest Poot/ABP (HR 2 december 1994, HR:1994:ZC1564) ligt het op de weg van de vennootschap om haar eigen schade als gevolg van een normschending jegens haar vergoed te krijgen.

In dat geval wordt de hiervan afgeleide schade van de aandeelhouder geacht te zijn voldaan.

Dit arrest berust derhalve op de veronderstelling dat er een vennootschap bestaat.

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grond om het bereik van Poot/ABP uit te breiden tot het geval waarin de vennootschap inmiddels is opgehouden te bestaan.

In elk geval geldt dat in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een geschil tussen de twee enig aandeelhouders en waarin gesteld noch is gebleken dat crediteuren van D ter gelegenheid van de ontbinding niet konden worden voldaan.

Onder die omstandigheden dient de heropening van de vereffening op de voet van art. 2:23c BW geen redelijk doel.

Dit brengt mee dat T moet worden aangemerkt als de enig vorderingsgerechtigde, zodat een uitzondering op Poot/ABP in elk geval in het onderhavige geval moet worden aangenomen.

Overigens is het hof van oordeel dat Poot/ABP ook niet aan toewijzing in de weg staat.

De aansprakelijkheid van D jegens T berust op de schending van een zorgvuldigheidsverplichting van D jegens (specifiek) T als minderheidsaandeelhouder.

Deze verplichting tot het betrachten van zorgvuldigheid moet worden onderscheiden van de verplichting van D jegens D tot een behoorlijke taakvervulling als bestuurder.

Onder de gegeven omstandigheden, en in aanmerking genomen de ontbinding van D en de omstandigheid dat het gaat om een geschil tussen de enig aandeelhouders terwijl van enige belangen van crediteuren van D niet is gebleken, staat ook Poot/ABP niet aan toewijzing in de weg.

Dat geldt in het onderhavige geval te meer, nu de vordering van T mede betrekking heeft op rechtstreekse schade aan haar aandelen, verband houdend met de door D bewerkstelligde ontbinding van D.

De klacht over afgeleide schade faalt daarom, voor zover zij betrekking heeft op T.

Voor zover de klacht ziet op schade van X, komt diens vordering, anders dan de klacht wil, niet neer op een vergoeding voor de schade die X als aandeelhouder van D lijdt als gevolg van een (gestelde) waardedaling van zijn aandelen in D.

Ten tijde van de normschending was X immers geen (directe) aandeelhouder van D.

De klacht mist daarom in zoverre feitelijke grondslag.

Het hof merkt daarbij op dat in de aangehaalde grief geen klacht valt te lezen dat Poot/ABP eraan in de weg staat dat X als aandeelhouder van T vergoeding vordert van schade aan haar aandelen die het gevolg is van schade van T, voortvloeiend uit een normschending jegens T.

Ook X zelf heeft de grief niet in deze zin opgevat.

Het vorenstaande laat onverlet dat in de schadestaatprocedure nog gelegenheid bestaat om over de schade te debatteren.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat aandeelhouder over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.