Van onze advocaat aandeelhouder. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 1 maart 2018 uitspraak gedaan over gegronde redenen voor twijfel voor wanbeleid in een onderneming. Was er sprake van een verstoorde relatie binnen het bestuur en van een blokkade van de besluitvorming binnen de onderneming?

De advocaat van de aandeelhouder/bestuurder heeft aan haar stelling dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken in de onderneming en dat onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen het volgende ten grondslag gelegd:

Als gevolg van ernstig verstoorde verhoudingen is er sprake van een impasse binnen het bestuur en de aandeelhoudersvergadering van de onderneming hetgeen heeft geleid tot een niet rechtsgeldige opzegging van de managementovereenkomst tussen aandeelhouder, tevens bestuurder, per 1 januari 2018 en haar schorsing als bestuurder per 31 oktober 2017. Daarmee hebben de bestuurders de aandeelhouder/bestuurder bewust buitenspel gezet.

Zonder rechtsgeldige titel is verder € 228.500 overgeboekt van de onderneming naar een andere vennootschap, als gevolg waarvan de onderneming niet langer aan haar lopende betalingsverplichtingen kan voldoen. De bestuurders weigeren de aandeelhouder/bestuurder ten onrechte inzage te geven in de bankrekening van de onderneming.

Gegronde redenen voor twijfel voor wanbeleid in onderneming?

De rechter oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat de verhoudingen tussen de aandeelhouder/bestuurder en de overige bestuurders in ieder geval sinds februari 2017 wegens een wederzijds gebrek aan vertrouwen ernstig zijn verstoord.

Zoals de bestuurders evenwel terecht hebben aangevoerd heeft de besluitvorming binnen het bestuur (in ieder geval sinds de schorsing van A als bestuurder c.s. per 31 oktober 2017) en de aandeelhoudersvergadering als gevolg van de zeggenschapsverhoudingen niettemin telkens doorgang kunnen vinden. Van een blokkade in de besluitvorming is ook niet gebleken.

De bestuurders hebben voorts aangevoerd dat zij vanaf februari 2017 meer toezicht zijn gaan houden op de financiële administratie die niet op orde bleek te zijn. Gebreken in de administratie hebben volgens de bestuurders geleid tot liquiditeitsproblemen.

In het licht van het voorgaande komt de Ondernemingskamer de opzegging van de managementovereenkomst en de schorsing niet onredelijk voor, althans niet als een aan bestuurders te verwijten poging om de aandeelhouder/bestuurder zonder aanvaardbare reden buitenspel te zetten.

Of aan de opzegging van de managementovereenkomst gebreken kleven, kan thans in het midden blijven nu de aandeelhouder/bestuurder de facto heeft berust in de beëindiging van haar managementovereenkomst per 1 januari 2018 alsmede in haar daarop volgende schorsing als bestuurder.

Het in verwijt van de aandeelhouder/bestuurder leidt derhalve evenmin tot een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken van de onderneming.

De bestuurders hebben met betrekking tot de overboekingen aangevoerd dat op advies van de accountant en telkens met medeweten en instemming van de aandeelhouder/bestuurder de overtollige liquide middelen werden overgemaakt (‘afgeroomd’), van waaruit vervolgens de managementfees en het dividend werden uitgekeerd.

De Ondernemingskamer stelt in dit kader voorop dat de door bestuurders beschreven gang van zaken niet ongebruikelijk is in concernverhoudingen en niet gezegd kan worden dat de belangen van de onderneming erdoor zijn geschaad.

De Ondernemingskamer stelt voorop dat de financiële gang van zaken binnen een vennootschap onderdeel uitmaakt van het algemene, collectieve takenpakket van het bestuur en dat het ten behoeve van een behoorlijke taakvervulling geboden is dat aan de medebestuurder(s) informatie dienaangaande wordt verschaft.

Een onderlinge taakverdeling doet hier niet aan af. Kennelijk zijn partijen sinds de aanvang van hun samenwerking met wederzijdse instemming van dit uitgangspunt afgeweken.

De Ondernemingskamer acht de stelling van de aandeelhouder/bestuurder dat de lege orderportefeuille is veroorzaakt door de concurrerende activiteiten althans het omleiden van omzet, onvoldoende aannemelijk. De Ondernemingskamer gaat er daarbij van uit dat het project thans is afgerond en de facturatie nu zal kunnen plaatsvinden.

Gelet op al het vorenstaande komt de Ondernemingskamer tot de slotsom dat, ook in samenhang bezien, onvoldoende is gebleken van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en juiste gang van zaken van de onderneming. Het verzoek van aandeelhouder/bestuurder tot het gelasten van een onderzoek zal derhalve worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over bestuurders en bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de aandeelhoudersvergadering of over de geschillenregeling in het ondernemingsrecht, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.