Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. Op 8 maart 2017 heeft de Rechtbank Rotterdam uitspraak gedaan over de bestuurdersaansprakelijkheid van de feitelijk bestuurder.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de feitelijk beleidsbepaler als bedoeld in artikel 2:248 lid 7 BW gaat het om een niet-bestuurder die zich een zodanige mate van onafhankelijkheid en beslissingsvrijheid heeft toebedeeld of deze toebedeeld heeft gekregen dat deze persoon feitelijk het beleid bepaalt van de vennootschap. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat, wil er sprake zijn van een beleidsbepaler “als ware hij bestuurder”, enerzijds sprake moet zijn van een directe bemoeienis met het bestuur en anderzijds van een feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur, zonder dat dit laatste betekent dat het formele bestuur in wezen volledig buitenspel is komen te staan. Of sprake is van een feitelijk beleidsbepaler is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij van belang is dat een situatie als bedoeld in lid 7 niet al te spoedig moet worden aangenomen omdat in dat geval de reikwijdte van deze uitzonderingsbepaling te ruim wordt. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest.

Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader is de rechtbank van oordeel dat gedaagde niet als feitelijk beleidsbepaler kan worden beschouwd. In de eerste plaats vormt de kwestie van de beloning van gedaagde naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid die wijst op een beleidsbepalende positie van de gedaagde. Hij heeft onbetwist gesteld dat hij ditzelfde salaris al sinds 2009 verdient, en dat is dus ruim voordat hij de positie van bestuurder als beleidsbepaler zou hebben ingenomen. De bestuurders zullen hun redenen hebben gehad om hun (stief)zoon een dergelijk salaris toe te kennen, maar een aanwijzing voor een feitelijk bestuurderschap is dit niet.

De rechtbank voegt hier nog aan toe dat de advocaat van de gedaagde onbetwist heeft gesteld dat hij twaalf uur per dag voor de onderneming werkte en ook in het weekend degene was die telefonisch opdrachten aannam en verwerkte. In de tweede plaats is de aard van de functie van gedaagde van belang. Die brengt mee dat hij veel bemoeienis heeft met de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming en dat hij in operationele zin daarin een belangrijke stem zal hebben. Dat is echter iets anders dan dat hij “als ware hij bestuurder” het beleid van de onderneming bepaalt. Het aangaan van arbeidsovereenkomsten kan in beginsel als een typische bestuurstaak worden gezien, zoals gedaagde ook onderkent, maar noodzakelijk is dit niet. Denkbaar is immers ook dat gedaagde  hierbij in opdracht van de bestuurder heeft gehandeld. De advocaat van gedaagde  heeft dit gesteld en dit is niet betwist. De rechtbank wijst erop dat een dergelijke volmacht niet schriftelijk behoeft te worden verleend. De verschillende genoemde overige omstandigheden kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De handelingen van gedaagde met betrekking tot de dagelijkse operationele gang van zaken passen heel wel bij zijn positie als planner en, in zijn woorden, “regelneef”. De advocaat van de gedaagde heeft een groot aantal concrete voorbeelden genoemd van typische bestuursaangelegenheden waarover hij niets te zeggen had. Deze stellingen zijn niet weersproken. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat gedaagde  feitelijk heeft opgetreden “als ware hij bestuurder”, ook niet als hij daarin samen met de bestuurder heeft gehandeld.

Hieruit volgt dat de vorderingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van gedaagde niet voor toewijzing in aanmerking komen.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.