Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad

Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. Onlangs heeft de advocaat-generaal bij de Hoge Raad de aansprakelijkheid van bestuurders op grond van artikel 6:162 BW toegelicht.

Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW

Op grond van artikel 2:9 BW kan een bestuurder door de vennootschap aansprakelijk worden gehouden voor schade als gevolg van een onbehoorlijke taakvervulling (interne aansprakelijkheid). Een in die hoedanigheid optredende bestuurder kan echter ook op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk zijn jegens een derde, bijvoorbeeld een schuldeiser van de vennootschap, wanneer hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er wordt dan gesproken van externe aansprakelijkheid.

Deze mogelijkheid van persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder jegens een derde vormt een uitzondering op het beginsel dat een handelen of een nalaten van een vennootschap uitsluitend aan de vennootschap als zodanig kan worden toegerekend, zodat ook in beginsel slechts de vennootschap aansprakelijk kan worden gehouden. Het uitzonderlijke karakter van de aansprakelijkheid brengt mee dat een bestuurder slechts via artikel 6:162 BW aansprakelijk kan worden gesteld wanneer hem persoonlijk een ernstig verwijt treft. Hierbij dient te worden benadrukt dat de bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk kan worden gehouden. Het bijzondere karakter van deze extra verhaalsmogelijkheid verklaart dat aan persoonlijke aansprakelijkheid strenge eisen worden gesteld.

De Hoge Raad heeft de vereisten voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van artikel 6:162 BW gespecificeerd in het arrest Ontvanger/Roelofsen. In die zaak stelde de Ontvanger van de Belastingdienst de bestuurder van twee vennootschappen persoonlijk aansprakelijk voor schade als gevolg van het niet voldoen van een belastingschuld door deze vennootschappen. De Hoge Raad stelde bij de beoordeling het volgende voorop:

“Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.”

Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW is dus voorwaarde dat een bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, mede gelet op de eisen die artikel 2:9 BW stelt aan de uitoefening van zijn bestuurstaak. Ook hier is de achtergrond dat risico’s nemen tot de taken van de bestuurder behoort, ook al pakken deze soms nadelig uit voor de vennootschap of derden. Twee typen gevallen kunnen worden onderscheiden waarin een bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk kan worden gesteld: gevallen waarin hij namens de vennootschap heeft gehandeld en gevallen waarin hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

Het ernstige verwijt-criterium

De Hoge Raad heeft in Ontvanger/Roelofsen verduidelijkt welke rol het ernstig verwijt-criterium in beide typen gevallen speelt.

Voor de eerste categorie gevallen, waarin de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld, geldt de in onder meer het Beklamel-arrest ontwikkelde maatstaf:

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden.

In 2014 heeft de Hoge Raad in een zaak waarin een bestuurder op grond van artikel 6:162 BW door een schuldeiser van de vennootschap aansprakelijk werd gesteld benadrukt dat de bestuurder in het hiervoor bedoelde type gevallen niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt indien niet voorzienbaar was dat zijn handelen tot schade zou leiden. Het gaat om een precisering, omdat reeds uit Beklamel-criterium kon worden afgeleid dat voor persoonlijke aansprakelijkheid niet alleen noodzakelijk is dat de bestuurder bij het aangaan wist of behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, maar ook dat de schuldeiser als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.

In het arrest uit 2014 inzake RCI Financial Services heeft de Hoge Raad dit nog eens benadrukt. In de zaak die leidde tot dit arrest had een bestuurder een tweede pandrecht verstrekt aan een financier (RCI) waar een eerste pandrecht toegezegd was. RCI stelde de bestuurder aansprakelijk voor de voorzienbare schade die zij zou lijden, doordat zij een slechtere zekerheidspositie had gekregen dan was overeengekomen. De Hoge Raad oordeelde als volgt:

“Het verwijt dat in het onderhavige geval aan de bestuurder wordt gemaakt is dat hij namens de vennootschappen een verplichting is aangegaan waarvan hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschappen deze niet zouden kunnen nakomen. Anders dan het middel aanvoert, leidt ook een zodanig verwijt pas tot aansprakelijkheid van de bestuurder indien deze wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de schuldeiser als gevolg van het niet nakomen van de verplichting schade zou lijden. Het middel betoogt dat die schade in dit geval is gelegen in de gevolgen van het verkrijgen van een slechtere zekerheidspositie dan is overeengekomen. De enkele omstandigheid dat de schuldeiser, anders dan was overeengekomen, geen eerste maar een tweede pandrecht heeft verkregen, brengt evenwel nog niet mee dat hij dientengevolge schade lijdt”.

Naar aanleiding van dit arrest is wel betoogd dat het vereiste van voorzienbare schade meer in het algemeen geldt voor externe aansprakelijkheid van bestuurders op grond van artikel 6:162 BW, waarbij de voorzienbaarheid van schade als belangrijk element dat besloten ligt in het ernstig verwijt-criterium wordt gezien.

Samenvattend: een bestuurder kan op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk worden gesteld, bijvoorbeeld door een schuldeiser van de vennootschap. In dat geval geldt voor aansprakelijkheid het vereiste dat hem persoonlijk een ernstig verwijt dient te kunnen worden gemaakt.

Heeft u vragen over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.