Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Den Haag heeft op 13 september 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW): betalingsonwil en frustreren verhaal door alle verdiencapaciteit uit vennootschap te halen (verkoop activa, staken bedrijfsactiviteiten en dividenduitkering).

De rechtbank dient te beoordelen of V c.s. onrechtmatig heeft gehandeld als gevolg van het tekortschieten van T in de nakoming van haar CAO-verplichtingen in de periode van week 38 van 2005 tot en met week 44 van 2006.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzonder omstandigheden is evenwel, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap.

Van onrechtmatig handelen door een bestuurder van een vennootschap kan sprake zijn, indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

De advocaat van V c.s. betwist allereerst dat T is tekortgeschoten in de nakoming van haar CAO-verplichtingen. De rechtbank overweegt het volgende. T is geen partij in deze procedure. In de procedure tussen S en T heeft het gerechtshof in voornoemd arrest de stelling van T dat zij ontkent dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van haar CAO-verplichtingen verworpen. Het arrest van het gerechtshof is door de Hoge Raad bekrachtigd. Daarmee staat in de rechtsverhouding tot S onherroepelijk vast dat T is tekortgeschoten in de nakoming van haar CAO-verplichtingen. Daar gaat de rechtbank in deze procedure dan ook van uit, te meer omdat V c.s. geen (nieuwe) feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot een ander oordeel.

De advocaat van V c.s. voert verder als verweer dat zij geen doorslaggevende stem heeft als bestuurder van T, nu T twee bestuurders kent. Dat verweer kan niet slagen, omdat beide bestuurders alleen/zelfstandig bevoegd zijn T te vertegenwoordigen.

De advocaat van V c.s. voert verder als verweer dat geen sprake is van betalingsonwil aan de zijde van T of haar bestuurders. T heeft zich verweerd tegen een aanspraak van S, die naar haar mening ten onrechte was, maar respecteert de uitspraak van de Hoge Raad. T heeft over 2013 dividend uitgekeerd, maar het vermogen van T beloopt volgens de jaarrekening 2013 nog € 864.759,=. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad: betalingsonwil en frustreren verhaal door alle verdiencapaciteit uit vennootschap te halen (verkoop activa, staken bedrijfsactiviteiten en dividenduitkering)

Op 1 april 2008 is T door S gedagvaard. Op dat moment was reeds bekend dat S zich op het standpunt stelde dat de materiële benadeling als gevolg van het niet nakomen van de CAO-verplichtingen € 804.498,= beliep, terwijl T het standpunt innam dat het ging om € 304.000,=. Ter zitting heeft V c.s. geen verklaring kunnen geven voor het feit dat dit onbetwiste bedrag (destijds) niet door T is betaald. Wat daar van ook zij, in elk geval vanaf 26 februari 2013, de datum van het arrest van het gerechtshof, hebben T en haar bestuurders rekening moeten houden met de vordering van S ter hoogte van € 804.498,=, omdat het gerechtshof alle argumenten dat de vordering lager zou zijn van tafel heeft geveegd. Dat was evenwel voor T geen aanleiding om deze latente verplichting in de jaarrekening op te nemen; volstaan werd met de vermelding dat de uitkomst van de procedure bij de Hoge Raad onzeker is. Vervolgens heeft T er voor gekozen over het jaar 2013 een dividend van ruim 2 miljoen euro uit te keren en haar activa en uitzendactiviteiten per 1 april 2014 over te dragen. Dit was voor de controlerend accountant aanleiding gerede twijfel te uiten over de continuïteit van de onderneming. Bovendien heeft hij zijn oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening te onthouden.

Op grond van het hiervoor geschetste samenstel van feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat V c.s. zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld jegens S dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Door de verkoop van de activa en het staken van de activiteiten heeft V c.s. bewerkstelligd dat alle verdiencapaciteit uit T is gehaald. Daar komt bij dat V c.s. goedkeuring heeft verleend aan het besluit tot dividenduitkering. V c.s. wist of had redelijkerwijze behoren te begrijpen dat T daardoor haar verplichtingen jegens S niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. De rechtbank weegt mee dat gesteld noch gebleken is dat het door V c.s. genoemde vermogen (in de jaarrekening opgenomen onder “statutaire reserves/overige reserves”) van € 864.759,= anders dan slechts op papier aanwezig was in T.

Tenslotte heeft V c.s. het standpunt ingenomen dat op basis van het arrest van het gerechtshof TVN slechts is gehouden tot betaling aan voormalig werknemers. De rechtbank overweegt in dit verband dat het er in de door S gevoerde procedures om gaat dat ofwel de voormalig werknemers het loon krijgen waar zij volgens de CAO recht op hadden, dan wel, voor het geval die werknemers niet te traceren zijn, dat het concurrentievoordeel wordt weggenomen dat T door het niet nakomen van de CAO-verplichtingen heeft genoten. T kan aldus niet wegkomen met het feit dat de (doorgaans buitenlandse) werknemers niet meer te vinden zijn. Dit uitgangspunt vindt ook zijn weerslag in de wijze waarop S de vordering in het petitum van de dagvaarding heeft geformuleerd: veroordeling tot directe betaling aan betrokken werknemers en zo dat niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis is gebeurd, veroordeling tot betaling aan S. Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank dit standpunt van V c.s.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van S zullen worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.