Het Gerechtshof Den Haag heeft op 16 april 2019 uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van bestuurdersaansprakelijkheid vanwege een onverhaalbare vordering door het afsluiten van een vaststellingsovereenkomst.

Het gaat in deze zaak om de vraag of geïntimeerde als bestuurder van de onderneming A onrechtmatig jegens E heeft gehandeld.

Bij de beantwoording daarvan heeft de rechter terecht het volgende voorop gesteld:

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.

Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer HR 6 oktober 1989, HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel)).

In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden (zie HR 5 september 2014, HR:2014:2627).

Bestuurdersaansprakelijkheid. Onverhaalbare vordering? Vaststellingsovereenkomst.

De rechter oordeelt als volgt.

E stelt zij dat € 40.000,- schade heeft geleden omdat geïntimeerde namens A een verplichting is aangegaan (het zorgdragen voor de betaling van € 40.000,- door V aan Events waarvan hij wist dat deze niet kon worden nagekomen.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de schade die E vordert, al was geleden vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is voldaan aan de vereisten voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder. Het hof licht dit toe.

De in de vaststellingsovereenkomst opgenomen verplichting dat de vordering van E tot een bedrag van € 40.000,- rechtstreeks door V zou worden betaald, ziet niet op een nieuwe geldvordering van E maar betreft slechts de wijze waarop een deel van de bestaande vordering van E op A aan E zou worden betaald.

Het feit dat die wijze van betaling is uitgebleven, heeft E niet in een slechtere positie gebracht dan de positie waarin zij vóór het aangaan van de vaststellingsovereenkomst al verkeerde.

Toen al was A niet in staat de vordering (althans het deelbedrag van € 40.000,-) te voldoen.

E had dus al een onverhaalbare vordering op A van € 40.000,- en die heeft zij nog steeds.

De aan de bestuurder verweten gedraging – het namens A aangaan van een vaststellingsovereenkomst waarvan bij aanvang duidelijk was, althans had moeten zijn, dat A die niet kon nakomen heeft dus niet tot schade geleid.

Het betoog van E dat de rechtbank haar vordering tegen A heeft toegewezen op de grond dat A de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en niet op de oorspronkelijk door E genoemde grondslag dat A facturen onbetaald heeft gelaten, leidt niet tot een ander oordeel.

Het gaat er niet om op welke grondslag de vordering van E op A is toegewezen, het gaat er om dat de vordering reeds bestond ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst en toen al onverhaalbaar was.

De schade van E van € 40.000,- wegens het onbetaald blijven van de vordering was toen al ingetreden.

De onjuiste mededeling van geïntimeerde c.q. de niet-nakoming van de vaststellingsovereenkomst heeft daarin geen verandering gebracht.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht of over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.