Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Den Haag heeft op 10 juli 2019 uitspraak gedaan over de bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement van een aannemer. Beklamelnorm.

In dit geschil staat centraal of gedaagde als bestuurder van X B.V. op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor schade die eiser lijdt ten gevolge van het niet geheel nakomen door X B.V. van de aannemingsovereenkomst.

Bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement van een aannemer. Beklamelnorm.

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.

Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NHB/Oosterhof).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (vgl. Hoge Raad 6 oktober 1989, HR:1989:AB9521, Beklamel).

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (vgl. Hoge Raad 8 december 2006, HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen).

Het verwijt van eiser is gebaseerd op de Beklamelnorm.

Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Rv) is het aan eiser om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit kan volgen dat gedaagde bij het aangaan van de aannemingsovereenkomst wist of heeft behoren te weten dat X B.V. niet of niet binnen redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen.

Gedaagde betwist dat hij ten tijde van het aangaan van de aannemingsovereenkomst wist of heeft behoren te weten dat X B.V. haar verplichtingen niet (geheel) zou kunnen nakomen.

De prognoses waren volgens gedaagde in februari 2018 gunstig: de marktvooruitzichten in de bouw waren goed en X B.V. had een goed gevulde orderportefeuille. Daarnaast zijn er gedurende de periode van februari tot en met oktober 2018 diverse offerteaanvragen ontvangen.

Gedurende ruim zesenhalve maand is X B.V. haar verplichtingen ook nagekomen. Echter begin september 2018 annuleerden twee opdrachtgevers hun met X B.V. overeengekomen (en inmiddels gevorderde) projecten. Deze opdrachtgevers lieten vervolgens € 21.000 aan uitstaande facturen onbetaald. Daarnaast werd duidelijk dat een (toekomstige) omzet op één van die projecten van eveneens circa € 21.000 zou wegvallen. Hierdoor ontstond onverwacht een liquiditeitstekort. Externe financiering van het liquiditeitstekort lukte niet.

De bovengenoemde punten bieden naar het oordeel van de rechter te weinig inzicht in de financiële toestand van X B.V. om de conclusie te kunnen trekken dat gedaagde op 18 februari 2018 namens X B.V. geen verplichtingen jegens eiser heeft mogen aangaan, te meer nu de marktvooruitzichten in de bouw op dat moment goed waren en de orderportefeuille van X B.V. goed gevuld was.

Op basis van het voorgaande kan niet geconcludeerd worden dat gedaagde ten tijde van het aangaan van de verplichtingen namens X B.V. wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat X B.V. haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou kunnen nakomen of geen verhaal zou bieden voor een vordering tot schadevergoeding.

Gedaagde is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet op grond van de Beklamelnorm persoonlijk aansprakelijk voor de schade die eiser heeft geleden.

Daarmee komt de rechter toe aan bespreking van het verwijt van eiser, inhoudend dat gedaagde heeft aangedrongen op betaling van de facturen van X B.V., terwijl hij wist of heeft behoren te weten dat X B.V. de hieraan gekoppelde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren.

Dit verwijt kan niet worden geschaard onder de Beklamelnorm, aangezien de aannemingsovereenkomst reeds was gesloten toen X B.V. de facturen aan eiser in rekening bracht.

Met deze overeenkomst had X B.V. zich al verbonden om de verbouwing uit te voeren. De facturen brachten dan ook geen nieuwe verbintenissen van X B.V. mee.

Dat een bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden op grond van de Beklamelnorm door, ná het aangaan van de verbintenis, de contractuele wederpartij te bewegen de prestatie alsnog of verder uit te voeren, volgt naar het oordeel van de rechter ook niet uit de arresten van het Hof Den Bosch waarnaar eiser in dit kader heeft verwezen (GHSHE:2016:4088 en GHSHE: 2018:1598), nu in deze zaak de bestuurder juist werd verweten dat hij onrechtmatig had gehandeld door een nieuwe verbintenis aan te gaan.

Niettemin kan ook in het geval een bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, die bestuurder voor die schade op grond van onrechtmatig handelen persoonlijk aansprakelijk zijn.

Gelet op criterium is het aan eiser om concrete omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen, dat gedaagde op 14 en 15 augustus 2018 om betaling heeft verzocht van de 6e termijnfactuur terwijl hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat X B.V. de aan deze factuur gekoppelde werkzaamheden niet meer zou kunnen uitvoeren.

Naar het oordeel van de rechter heeft eiser met de bedoelde punten onvoldoende feitelijk onderbouwd dat op 14 en 15 augustus 2018, toen gedaagde op betaling van de 6e termijnfactuur ter hoogte van € 8.414,10 aandrong, laat staan eerder, al sprake was van een financiële situatie bij X B.V. waaruit gedaagde heeft behoren op te maken dat X B.V. haar werkzaamheden niet meer zou kunnen voortzetten. Dit laatste in het bijzonder nu X B.V. pas in september 2018 haar werkzaamheden bij eiser heeft gestaakt.

De rechter hecht hierbij ook belang aan de omstandigheid dat gedaagde op 14 en 15 augustus 2018 nog bij in ieder geval twee andere opdrachtgevers projecten met onderhanden werk had, waaruit hij nog € 21.000 aan inkomsten verwachtte en een toekomstige omzet van nog eens € 21.000, zoals gedaagde onbetwist heeft gesteld.

Gesteld noch gebleken is dat gedaagde op dat moment had kunnen of moeten begrijpen dat die projecten voortijdig zouden worden beëindigd en dat de openstaande facturen ter hoogte van in totaal € 21.000 niet meer voldaan zouden worden.

Op basis van het voorgaande is de rechter van oordeel dat gedaagde niet persoonlijk jegens eiser aansprakelijk is. De vorderingen van eiser zullen dan ook worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over de Beklamelnorm of over bestuurdersaansprakelijkheid vanwege het onbetaald blijven van schulden en rekeningen, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.