Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 februari 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt voor het tekortschieten van de vennootschap in de uitvoering van een aannemingsovereenkomst.

Appellante richt zich met haar eerste grief tegen de overwegingen van de rechtbank die inhouden dat niet is gebleken

– van bijzondere omstandigheden die zijn vereist volgens de verzwaarde maatstaf voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap voor wanprestatie van die vennootschap,

– dat geïntimeerden bewust hebben toegelaten of bewerkstelligd dat de vennootschap de contractuele verplichtingen jegens appellante op grond van de aannemingsovereenkomst niet dan wel onvoldoende kon nakomen, en

– van een bewust handelen van geïntimeerde binnen de vennootschap – van meet af aan dan wel gedurende de uitvoering van de aannemingsovereenkomst – om de door de vennootschap beoogde afwikkeling en uitvoering van de contractuele relatie met appellante te verzaken.

Appellante voert hiertoe aan dat:

i) uitsluitend geïntimeerden konden beslissen over de wijze van uitvoering door de vennootschap van de aannemingsovereenkomst,

ii) sprake is van zeer ernstige en structurele tekortkomingen in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. Het feit dat deze tekortkomingen niet door de vennootschap zijn voorkomen en niet tijdens de bouw zijn geconstateerd, duidt op ernstig tekortschieten van de leiding. Van het ontbreken of falen van de leiding op de bouwplaats kan aan de bestuurder een ernstig verwijt worden gemaakt, en zulks kan alleen een gevolg zijn geweest van een bewust (niet) handelen van geïntimeerden,

iii) de vennootschap ten onrechte een factuur van € 159.891,13 aan appellante heeft gezonden, en vervolgens wegens niet-betaling van deze factuur zonder geldige reden de werkzaamheden heeft beëindigd en de bouwplaats heeft ontruimd. Het besluit tot beëindiging van de bouwwerkzaamheden en ontruiming van de bouwplaats, dat is genomen door geïntimeerden, moet bewust en opzettelijk zijn genomen. Op dit punt is sprake van bewust handelen om de afwikkeling en uitvoering van de contractuele relatie met appellante door de vennootschap te doen verzaken, en

iv) bij het beëindigen van de werkzaamheden en ontruimen van de bouwplaats, waarbij de bouwplaats door de vennootschap onbeschermd en onbeveiligd is achtergelaten waardoor appellante schade heeft geleden, sprake is geweest van bewust handelen van de bestuurders van de vennootschap en van een bewust besluit om de aannemingsovereenkomst met appellante niet (meer) na te komen.

Geïntimeerden betwisten dat hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het gestelde (en door geïntimeerden c.s. betwiste) tekortschieten door de vennootschap in haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst met appellante.

Volgens geïntimeerden betekent het feit dat de vennootschap via hen als natuurlijke personen heeft gehandeld niet dat als de vennootschap tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, dit een bewuste keuze van hen is geweest die was gericht op dit tekortschieten.

Er is geen sprake geweest van het bewust toelaten of bewerkstelligen door hen van een wanprestatie van de vennootschap. Bovendien is de andere geïntimeerde geen bestuurder van de vennootschap geweest. Geïntimeerde heeft voor de uitvoering van de werkzaamheden, het geven van instructies en het houden van toezicht gekwalificeerde personen ingeschakeld.

Ook het besluit om de werkzaamheden op te schorten heeft niet tot doel gehad bewust toe te laten of te bewerkstelligen dat de vennootschap zou wanpresteren, maar om appellante tot betaling te bewegen, aldus geïntimeerden.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Kan bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt voor het tekortschieten van de vennootschap in de uitvoering van een aannemingsovereenkomst?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt voorop dat indien een bestuurder van een vennootschap wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, sprake kan zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder.

Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Van een dergelijk verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Het hof stelt voorts voorop dat het hier gaat om de eventuele – externe – aansprakelijkheid van bestuurders van een besloten vennootschap jegens een derde.

Anders dan artikel 2:248 BW bepaalt ten aanzien van kennelijk onbehoorlijk bestuur, voorziet artikel 6:162 BW voor haar toepassing niet in gelijkstelling van een feitelijk bestuurder met een formele bestuurder.

Niettemin kan ook een feitelijk bestuurder aansprakelijk worden gehouden op grond van art. 6:162 BW, maar dat is dan op grond van alle concrete omstandigheden van het geval ten aanzien van zijn handelen of nalaten, en niet louter op grond van een gesteld feitelijk bestuurderschap.

Ten aanzien van de toerekening van onrechtmatig handelen of nalaten aan een feitelijk bestuurder hanteert het hof evenwel dezelfde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel als ware hij formeel bestuurder geweest, namelijk dat hem van dat handelen of nalaten persoonlijk een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt.

De omstandigheid dat een feitelijk bestuurder niet als bestuurder is benoemd, rechtvaardigt immers niet dat hij wat betreft de aansprakelijkheidsdrempel in een nadeliger positie zou verkeren dan wanneer hij wél als zodanig zou zijn benoemd.

Het hof overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat geïntimeerde geen formele bestuurder is geweest van de vennootschap.

Appellante heeft niet gesteld althans onvoldoende onderbouwd dat en waarom geïntimeerde als feitelijk bestuurder het beleid van de vennootschap (mede) heeft bepaald of dat hij binnen de vennootschap een positie heeft bekleed waarin hij in feite een beslissingsmacht heeft uitgeoefend die gelijk is aan die van een formele bestuurder.

Appellante heeft evenmin iets gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat geïntimeerde jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de vorderingen jegens geïntimeerde reeds op die grond moeten worden afgewezen.

Niettemin zal het hof hierna veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat geïntimeerde als feitelijk bestuurder van de vennootschap heeft te gelden.

Het hof is van oordeel dat appellante haar stelling dat geïntimeerden persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de gestelde wanprestatie van de vennootschap onvoldoende heeft onderbouwd.

De stelling dat sprake is geweest van bewust (niet) handelen van geïntimeerden, in de zin dat dit (niet) handelen erop gericht was om de vennootschap te laten tekortschieten in haar verplichtingen, is onvoldoende feitelijk onderbouwd.

Uit het feit dat sprake zou zijn geweest van structurele en ernstige tekortkomingen in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst, of dat leiding op de bouwplaats zou hebben gefaald of ontbroken, kan een dergelijk bewust handelen niet worden afgeleid.

De stellingen van appellante zijn op dit punt ook onvoldoende om te kunnen concluderen dat geïntimeerde wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Ook de stelling dat het besluit tot beëindiging van de bouwwerkzaamheden en ontruiming van de bouwplaats, door geïntimeerden bewust en opzettelijk is genomen om de contractuele verplichting van de overeenkomst met appellante door de vennootschap te doen verzaken, heeft appellante niet onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden waaruit deze bewuste en opzettelijke handelwijze zou moeten blijken.

Hetzelfde geldt voor het gestelde bewust onbeschermd en onbeveiligd achterlaten van de bouwplaats.

Het besluit om op te schorten en de werkzaamheden stil te leggen moge bewust zijn genomen, in de zin dat geïntimeerden zich realiseerden dat daarmee de werkzaamheden niet meer werden uitgevoerd, maar dat brengt nog niet met zich dat geïntimeerden wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat dit tot gevolg zou hebben dat daarmee de vennootschap haar verplichtingen uit de overeenkomst met appellante niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Ten slotte heeft appellante niets aangevoerd waarom geïntimeerden anderszins persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de gestelde wanprestatie van de vennootschap.

Het hof is daarom van oordeel dat appellante wat betreft de persoonlijke ernstige verwijtbaarheid van geïntimeerden niet aan haar stelplicht heeft voldaan, zodat de voorgedragen grief faalt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over het ondernemingsrecht, over bestuurders of aandeelhouders van een onderneming, over bestuurdersaansprakelijkheid of over de vergoeding van schade in het ondernemingsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.