Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 18 februari 2020 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid bij het aangaan van een garantieovereenkomst.

Bij de beoordeling daarvan stelt het hof het volgende voorop.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap.

Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. HR 20 juni 2008, HR:2008:BC4959, Willems/NOM).

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, geldt volgens vaste rechtspraak (zie met name HR 8 december 2006, HR:2006: AZ0758, Ontvanger/Roelofsen) het volgende.

Naast de aansprakelijkheid van de vennootschap zal mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (de Beklamel-norm uit HR 6 oktober 1989, HR:1989:AB9521).

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan de betrokken bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Garantieovereenkomst. Inspanningsverplichting tot financiering.

De rechter oordeelt als volgt.

Zowel in de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen rust de stelplicht en zo nodig de bewijslast in beginsel op de benadeelde crediteur, in dit geval M.

Ten aanzien van de verplichtingen van B wordt het volgende overwogen.

Het verwijt van M dat zij de garantieovereenkomst nooit zou zijn aangegaan als zij had geweten dat B een “lege” vennootschap was gaat niet op.

Zoals hierboven al vermeld, beschikte M over de (concept)jaarrekening van Beheer.

Zij was dan ook bekend met de genoemde financiële positie van B en de omvangrijke schuld aan de bank.

Verder heeft M niet, althans onvoldoende kenbaar gegriefd tegen het terechte oordeel van de rechtbank dat niet gesteld of gebleken is dat ten tijde van het aangaan van de garantieovereenkomst voor geïntimeerde voorzienbaar was dat de vorderingen van M niet konden worden voldaan uit de verkoop van A.

Kennelijk ging ook M er in die periode van uit dat dit wel mogelijk was.

Tijdens de comparitie in eerste aanleg heeft M aangegeven dat zij bekend was met de positie van de bank en dat de verwachting was dat nadat de bank betaald zou zijn, er nog genoeg geld uit de opbrengst over zou zijn om M te voldoen.

Voor het overige heeft M onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat geïntimeerde een ernstig persoonlijk verwijt treft vanwege het door B niet nakomen van de garantieovereenkomst.

Ten aanzien van de verplichtingen van geïntimeerde persoonlijk op grond van de garantieovereenkomst geldt het volgende.

Zoals ook M erkent, gaat het hier om inspanningsverplichtingen van geïntimeerde.

Het belangrijkste onderdeel hiervan houdt in dat geïntimeerde “te kennen heeft gegeven een (bancaire) financiering te willen aantrekken”, voor het aflossen van de door B aan hem verstrekte lening.

Uit de door geïntimeerde overgelegde stukken blijkt dat geïntimeerde 2 maanden voor het sluiten van de garantieovereenkomst al informatie over een dergelijke financiering heeft ingewonnen bij D.

Als onvoldoende betwist staat verder vast dat: (i) het ten tijde van het sluiten van de garantieovereenkomst de bedoeling was dat geïntimeerde in dienst zou treden bij A, (ii) de bank pas na het aangaan van de garantieovereenkomst eiste dat ook A zou worden verkocht, (iii) aldus de (potentiële) inkomsten van geïntimeerde verdwenen en daarmee ook de mogelijkheid om de financiering aan te trekken.

Dat geïntimeerde een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de problemen met de bank zoals bedoeld in (ii) volgt niet uit de stellingen van M.

Het voorgaande betekent dat geïntimeerde geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het niet kunnen verkrijgen van de in de garantieovereenkomst genoemde financiering van € 400.000,–.

Dit laatste maakte, anders dan M aanvoert het volgen van de in de garantieovereenkomst uitgestippelde route moeilijk zo niet onmogelijk, gelet op de daarin opgenomen overwegingen.

Onder meer in dat licht kan evenmin worden geoordeeld dat geïntimeerde een persoonlijk ernstig verwijt treft ten aanzien van het niet voldoen aan (alle) andere (rechts)handelingen uit de garantieovereenkomst.

Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat geïntimeerde zijn inspanningsverplichting niet is nagekomen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bedrijfsovername over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.