Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. De Rechtbank Rotterdam heeft op 20 september 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid. De verantwoordelijkheid van een rechtspersoon voor de schijn van volmachtsverlening impliceert niet althans niet automatisch dat de bestuurder van die vennootschap een zodanig ernstig verwijt treft dat hij voor het niet nakomen van de verbintenis van de rechtspersoon persoonlijk aansprakelijk is.

Bij de beoordeling van de vraag of gedaagde een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens eiser omdat hij als uiteindelijk en feitelijk bestuurder van S redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat S niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen met betrekking tot de door haar verstrekte garantie en geen verhaal zou bieden, stelt de rechtbank het volgende voorop.

In Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2627, NJ 2015, 22 is het volgende overwogen over de externe persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder van een vennootschap:

‘Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen (vgl. Hoge Raad, 20 juni 2008, HR:2008:BC4959, NJ 2009/21).

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (zie onder meer Hoge Raad, 6 oktober 1989, HR:1989:AB9521, NJ 1990/286 (Beklamel) en Hoge Raad, 8 december 2006, HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659 (Ontvanger). In de kern houdt dit zogenoemde ‘Beklamelcriterium’ de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden.’

Bestuurdersaansprakelijkheid. Externe persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van een vennootschap. Schijn van volmachtsverlening? Ernstig verwijt?

Het hiervoor weergegeven criterium brengt mee dat de verantwoordelijkheid van S voor de schijn van volmachtsverlening niet althans niet automatisch impliceert dat gedaagde daarvan als bestuurder een ernstig verwijt treft. Gedaagde is aansprakelijk als hij op het moment dat de zoon van gedaagde – met de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid – de garantie verstrekte, wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat S deze niet zou kunnen nakomen en voor eiser geen althans onvoldoende verhaal zou bieden. Dit vereiste impliceert dat gedaagde op het moment dat zijn zoon zich in naam van S garant stelde, zich daarvan van bewust moet zijn geweest of had moeten zijn. Zo dit niet het geval is valt niet in te zien dat gedaagde ter zake het niet nakomen van de garantieverplichting een persoonlijk ernstig verwijt treft.

De advocaat van eiser heeft niet gesteld dat gedaagde bij het afgeven van die garantie daarvan wist, doch stelt dat gedaagde dit had moeten begrijpen omdat hij verantwoordelijk is voor de door de rechtbank bij vonnis van 25 februari 2015 vastgestelde omstandigheden waaronder de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kon worden opgewekt, te weten: dat de klant niet is geïnformeerd over de omstandigheid dat de zoon van gedaagde niet langer bestuurder was en dat het gebruik door hem van briefpapier en e-mail adres van S kon voortduren.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze feiten en omstandigheden – die op zich vast staan – niet de conclusie dragen dat gedaagde had moeten begrijpen dat gedaagde jr. zich in naam van S garant stelde. De enkele omstandigheid dat de zoon van gedaagde over briefpapier en e-mail adres kon beschikken, is daartoe onvoldoende. Dat gedaagde er niet voor zorg heeft gedragen dat klanten van S als eiser niet over de veranderde positie van zijn zoon zijn geïnformeerd, valt hem aan te rekenen maar het is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor een hem persoonlijk treffend ernstig verwijt.

Daarbij is van belang dat de hier aan de orde zijnde garantie is afgegeven inzake een valutahandel die aldus niet behoorde tot de door S uitgeoefende handel. S kreeg weliswaar met het afgeven van de garantie de mogelijkheid om aan de handel in valuta deel te nemen maar niet is gesteld en evenmin is dit anderszins gebleken dat S van die mogelijkheid gebruik maakte. Zonder nadere toelichting – die er niet is – valt dan ook niet in te zien op grond waarvan gedaagde van het afgeven van de garantie door de zoon van gedaagde op de hoogte (was of) behoorde te zijn. Dat S een verplichting aanging die zij niet kon nakomen kan onder deze omstandigheden niet als een zodanig ernstig verwijt aan gedaagde worden toegerekend, dat hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk is.

Mogelijk ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat eiser ter comparitie heeft verklaard dat hij zelf met gedaagde heeft gesproken over de door de zoon van gedaagde (namens S) afgegeven garantie, doch dit is in die zin irrelevant dat dit gesprek kennelijk niet eerder plaatsvond dan toen er verliezen optraden – in december 2013 – en dus (ruim) na het afgeven van de garantie.

Van persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan voorts sprake zijn indien hem kan worden verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan de wederpartij van de vennootschap schade berokkent. Het hangt dan van de concrete omstandigheden van het geval af, of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden.

Het staat een bestuurder uiteraard vrij om zelf de afweging te maken welke schuldeisers van de vennootschap (eerst) worden voldaan. Een bestuurder is – als hierboven overwogen – alleen dan aansprakelijk indien hem – in de gegeven omstandigheden – een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Dit is het geval indien hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar (betalings-)verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor daardoor geleden schade. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank hier voor.

De advocaat van eiser voert in dit verband aan dat gedaagde als uiteindelijk en feitelijk bestuurder van S heeft bewerkstelligd dat S de garantie met eiser niet nakomt en dat gedaagde voorts de verhaalsmogelijkheden van eiser op S heeft gefrustreerd – zodat S thans nog minder verhaal biedt dan voorheen – door de vennootschap leeg te maken en te houden. Ondernemingen die voorheen altijd hout kochten bij S worden door gedaagde als directeur van S sinds enige tijd verwezen naar een Duitse vennootschap van gedaagde met als enige doel dat S geen inkomsten genereert en dus geen verhaal biedt. Aan ondernemingen die nog wel hout gekocht hebben bij S worden nieuwe facturen toegezonden met het verzoek aan SW te betalen. Eiser onderbouwt deze stellingen met verklaringen van een onderneming B B.V., een grote klant van S, en een Belgische firma A. Bovendien heeft gedaagde, die naar eigens zeggen sinds december 2013 op de hoogte is van de garantie, het vermogen van S weggesluisd naar buitenlandse vennootschappen en de bestuursstructuur en eigendomsverhouding drastisch gewijzigd, onder meer door het tussenschuiven van buitenlandse rechtspersonen als bestuurder en/of aandeelhouder, terwijl hij feitelijk zelf bestuurder en eigenaar is gebleven.

De advocaat van gedaagde voert hiertegen in de eerst plaats aan dat het standpunt van eiser dat S bij het aangaan van de garantie onvoldoende verhaal bood, onverenigbaar is het is met zijn standpunt dat het gebrek aan verhaal nadien door gedaagde zou zijn bewerkstelligd.

Tegenstrijdig is dit naar het oordeel van de rechtbank niet. Als de omvang van de onderneming en de activa in haar bezit bij het aangaan van de garantieverplichtingen al ontoereikend waren om deze na te komen, sluit dit niet uit dat gedaagde bewerkstelligde dat S nog minder verhaal biedt dan bij het aangaan van die verplichting en hem ter zake een ernstig verwijt treft.

De advocaat van gedaagde voert tegen de stelling van eiser dat gedaagde als bestuurder van S de omzet van S naar een van zijn andere vennootschappen heeft verplaatst aan dat gedaagde dit uitsluitend kan weerleggen aan de hand van haar (klanten)administratie, doch dat het overleggen daarvan haar concurrentiepositie zou schaden en voorts dat hij thans – na verkoop van de aandelen in S – niet langer over die gegevens beschikt. Dit standpunt overtuigt niet. In de eerste plaats is door gedaagde geen verklaring gegeven voor de twee concrete voorbeelden die eiser geeft van klanten die zonder aanwijsbare reden thans met een andere vennootschap van gedaagde zaken doen.

Zonder nadere toelichting, die er niet is, valt niet in te zien dat concurrentie overwegingen aan het geven van een verklaring daarvoor in de weg staan. Ook voor de omstandigheid dat in S sinds 2016 in het geheel geen activiteiten worden ontplooid en er buitenlandse vennootschappen zijn tussen geschoven is door gedaagde geen ter zake dienende verklaring gegeven. Als er naar aanleiding van het “vliegtuigongeluk” in de Oekraïne al “sancties” waren die invloed zouden kunnen hebben gehad op de omvang van de import van hout uit Rusland – gedaagde licht dit na betwisting door eiser niet nader toe – verklaart dit niet dat door S in het geheel geen activiteiten meer werden ontplooid en staat dit laatste ook enigszins op gespannen voet met de omstandigheid dat in 2015 een (door gedaagde aangestuurde) Chinese vennootschap als directeur is aangesteld en de aandelen van de Holding (en daarmee die van de Holding in S) aan een in Estland wonende Rus zijn verkocht. Nu gedaagde ook naar eigen zeggen reeds in december 2013 op de hoogte was van de vordering uit hoofde van de door zijn zoon namens S afgegeven garantie, moet het er naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor worden gehouden dat een en ander door gedaagde als bestuurder van S met geen ander doel is gedaan dan om – welbewust – het verhaal van de vordering van eiser op S te frustreren. Gedaagde wist derhalve of had dit redelijkerwijze behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar betalingsverplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor daardoor geleden schade.

Dit betekent dat gedaagde aansprakelijk is voor de door zijn toedoen ontstane schade. Voor de berekening daarvan heeft te gelden dat eiser met schadevergoeding zoveel mogelijk wordt gebracht in de situatie waarin hij zonder de frustratie van verhaal door gedaagde zou hebben verkeerd.

Tussen partijen staat vast dat S thans geen verhaal biedt. Krachtens voormeld criterium dient deze situatie te worden vergeleken met die van S in 2014. Uit de jaarstukken van S over 2014 volgt dat S toen wel enig – zij het voor een volledige nakoming van de garantieverplichting toen ook al onvoldoende – verhaal bood. De rechtbank acht op grond daarvan voldoende aannemelijk dat schade is geleden doch acht zich voor een begroting van de omvang daarvan onvoldoende voorgelicht. Op de voet van het bepaalde in artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zal gedaagde worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, over een ernstig verwijt van de bestuurder of over volmacht en vertegenwoordiging, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.