Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 2 juni 2020 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid en een aandelenkoop.

Het hof zal deze stellingen toetsen aan het juridische kader voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid in geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering (zie: Hoge Raad, 8 december 2006, HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)).

Kort gezegd mag in het algemeen alleen dan bestuurdersaansprakelijkheid worden aangenomen, indien de bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, of indien de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten (verdere) handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden, of indien zich andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt aan de bestuurder kan worden gemaakt.

Onder omstandigheden kan bestuurdersaansprakelijkheid worden aangenomen, indien de bestuurder selectieve betalingen doet in het zicht van het faillissement van de vennootschap. Hiervoor is in elk geval nodig dat een ernstig persoonlijk verwijt aan de bestuurder kan worden gemaakt.

Bestuurdersaansprakelijkheid en aandelenkoop. Selectieve betalingen? Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling?

De rechter oordeelt als volgt.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, wist X ten tijde van het sluiten van de Overeenkomst dat N over onvoldoende liquide middelen beschikte om kapitaal aan I te kunnen verstrekken.

Geïntimeerde stuurde namens N erop aan dat de in de Overeenkomst bedoelde aandelenverkoop zou doorgaan.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is X niet ingegaan op het verweer van geïntimeerde dat als X zich niet had teruggetrokken, de aandelen in I aan haar geleverd hadden kunnen worden (dan had het door X betaalde bedrag niet terugbetaald behoeven te worden, maar verrekend kunnen worden met de koopsom van de aandelen), en evenmin op het verweer van geïntimeerde dat N ook in staat zou zijn geweest het van X ontvangen bedrag terug te betalen, als de medeaandeelhouders van I op grond van de blokkeringsregeling zouden verlangen dat de aandelen in I aan hen zouden worden overgedragen (tegen betaling).

Ook in hoger beroep is X daarop niet ingegaan, althans niet voldoende duidelijk.

Ook heeft X onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat geïntimeerde bij het aangaan van de Overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de in de Overeenkomst bedoelde aandelenkoop niet zou doorgaan en dat N het ontvangen bedrag ook niet zou kunnen terugbetalen als de aandelen overeenkomstig de blokkeringsregeling zouden worden overgedragen aan de medeaandeelhouders van I.

In het licht van het voorgaande heeft X met zijn betogen onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat geïntimeerde, toen hij namens N de Overeenkomst aanging, wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat N niet aan haar verplichtingen uit de Overeenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

Ook heeft hij daarmee onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat geïntimeerde wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten verdere handelwijze van N (voor, tijdens of na de totstandkoming van de Overeenkomst) tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen uit de Overeenkomst jegens X niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden.

Ook het beroep van X op selectieve betalingen faalt.

X heeft onvoldoende toegelicht dat en hoe daadwerkelijk sprake is geweest van selectieve betalingen.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is bovendien niet gesteld of gebleken dat er aanwijzingen waren dat N spoedig na het aangaan van de Overeenkomst failliet zou worden verklaard (dus dat de gestelde selectieve betalingen daadwerkelijk in het zicht van een faillissement zijn gedaan).

Ook in hoger beroep heeft X dat niet gesteld, althans niet voldoende duidelijk, en het is ook niet gebleken.

Opmerking verdient dat N niet op eigen aangifte failliet is verklaard, maar op verzoek van X.

Een bestuurder van een vennootschap is niet persoonlijk aansprakelijk jegens een vennootschapsschuldeiser op de enkele grond dat de vennootschap op enig moment in staat van faillissement is verklaard en de bestuurder op andere momenten heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer andere schuldeisers heeft betaald met voorrang boven die vennootschapsschuldeiser (vergelijk: Hoge Raad, 17 januari 2020, HR:2020:73).

X heeft onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat zich andere omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt aan geïntimeerde kan worden gemaakt.

Slotsom is dat X onvoldoende heeft gesteld om bestuurdersaansprakelijkheid te kunnen aannemen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bedrijfsovername  over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bedrijfsovername op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.