Van onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 5 september 2017 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid bij borgstelling.

Met de grieven komt de advocaat van S op tegen het oordeel van de rechtbank dat geïntimeerde niet onrechtmatig jegens S heeft gehandeld. De grieven zien op de borgstelling die door S aan haar vorderingen ten grondslag is gelegd.

Bij de beoordeling van de vraag of geïntimeerde als (indirect) bestuurder jegens S gehouden is tot schadevergoeding wegens het onbetaald blijven van de door S aan H geleverde brandstof voor een bedrag van € 238.641,- neemt het hof het volgende tot uitgangspunt.

Toetsingskader van bestuurdersaansprakelijkheid

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap.

Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (Hoge Raad, 5 september 2014, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K.)

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (Hoge Raad, 8 december 2006, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad, 18 februari 2000, NJ 2000, 295).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (de zogenoemde Beklamelnorm naar Hoge Raad, 6 oktober 1989, NJ 1990, 286, laatstelijk geduid in Hoge Raad, 5 september 2014, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K) waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden).

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

Het ligt bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

De hoofdelijke aansprakelijkheid van bestuurders van rechtspersonen

Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon heeft het volgende te gelden (Hoge Raad, 12 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275).

Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.

Voor het antwoord op de vraag of geïntimeerde, gegeven dit uitgangspunt, aansprakelijk is jegens S acht het hof de volgende gestelde en niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken feiten en omstandigheden van belang.

Bestuurdersaansprakelijkheid bij borgstelling?

Het hof is van oordeel dat geïntimeerde in de periode dat de gefactureerde leveringen plaatsvonden, alsmede in de daarvoor liggende periode, geen rekening mee behoefde te houden dat H de daarmee gemoeide, thans gevorderde, bedragen voor brandstofleveringen niet zou (kunnen) betalen. Voor zover S heeft willen betogen dat 13 februari 2014 een kantelmoment was door de toen acuut opspelende problemen van Huisman met de bank in verband met de opschorting door de bank van de financiering en geïntimeerde vanaf dat moment wel moest vrezen voor het uitblijven van betaling door H is dat betoog op zich juist. Daar staat echter tegenover dat geïntimeerde zich niet bij het handelen van de bank heeft neergelegd: hij heeft immers met de bank afgesproken dat de betalingen aan S hervat zouden worden.

Dat er vervolgens een fout door de bank is gemaakt door de incasso van 14 februari 2014 te storneren is geen omstandigheid waarmee geïntimeerde rekening mee hoefde te houden en die hem verweten kan worden. Voor zover het onbetaald gebleven leveringen tussen 13 en 19 februari 2014 betreft, mocht geïntimeerde er op grond van de toezegging van de bank van uitgaan dat die voldaan zouden worden. Het betoog van S dat geïntimeerde zeker vanaf 13 februari 2014 had moeten weten dat een faillissement van H onafwendbaar was en daarom geen verplichtingen meer namens H had mogen aangaan, kan dan ook niet worden aanvaard. In de gegeven omstandigheden bestond er ook geen plicht van geïntimeerde om S te waarschuwen, dan wel te betrekken bij gesprekken over de toekomst van H, zoals door de advocaat van S is betoogd, wat er ook overigens ook zij van de stelling van S omtrent het bestaan van een dergelijke algemene waarschuwingsverplichting.

S heeft het in haar ogen aan geïntimeerde te maken persoonlijk, ernstige verwijt in wezen gebaseerd op dezelfde keten van gebeurtenissen als die hiervoor is beschreven en die gebeurtenissen leveren naar het oordeel van het hof, zoals hiervoor overwogen, geen ernstig verwijt op. Andere, voldoende onderbouwde, feiten en omstandigheden zijn door S niet gesteld, zodat haar op bestuurdersaansprakelijkheid gestoelde vorderingen, en in het verlengde daarvan aansprakelijkheid van geïntimeerde op grond van artikel 2:11 BW, een voldoende grondslag missen.

Voor zover S nog beoogd heeft te stellen dat aansprakelijkheid van geïntimeerde gebaseerd kan worden op handelen van geïntimeerde niet in zijn hoedanigheid van bestuurder (Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2628 en Hoge Raad, 23 november 2012, HR:2012:BX5881) is daarvan om de genoemde redenen evenmin sprake. Ook getoetst aan de regels van de ‘gewone’ onrechtmatige daad is het handelen van geïntimeerde niet onrechtmatig, nog daargelaten dat S niet nader heeft onderbouwd dat geïntimeerde bij zijn handelen niet zijn taak als bestuurder vervulde.

Nu S onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aansprakelijkheid kan worden gebaseerd, komt het hof aan een bewijslevering door S niet toe. Het bewijsaanbod is voorts niet ter zake dienend voor zover het ziet op feiten en omstandigheden waarvan hiervoor reeds is overwogen dat die onvoldoende zijn om daarop aansprakelijkheid van geïntimeerde te baseren.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u vragen over de bestuurdersaansprakelijkheid in het ondernemingsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.