Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 12 mei 2020 uitspraak gedaan over bestuurdersaansprakelijkheid en de benadeling schuldeisers en de schijn van kredietwaardigheid.

Het gaat in deze zaak om de vraag of appellant als medebestuurder van H Bouw aansprakelijk is voor de schade die S c.s. stellen te hebben geleden omdat hun facturen onbetaald zijn gelaten door H Bouw.

De grondslag van de tegen appellant ingestelde vordering is bestuurdersaansprakelijkheid (onrechtmatige daad).

Bestuurdersaansprakelijkheid. Benadeling schuldeisers. Beklamel-norm. Juridisch kader. Maatstaf. Schijn van kredietwaardigheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade.

Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap.

Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.

Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K).

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, HR:2006:AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (Hoge Raad, 18 februari 2000, HR:2000:AA4873, NJ 2000, 295, New Holland Belgium/Oosterhof).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (De zogenoemde Beklamelnorm naar Hoge Raad, 6 oktober 1989, HR:1989:AB9521, NJ 1990, 286, laatstelijk geduid in Hoge Raad, 5 september 2014, HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden).

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.

Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

Het ligt daarbij bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

Het verwijt dat appellant wordt gemaakt is dat hij als bestuurder van H Bouw bij het aangaan van de overeenkomsten met S en vervolgens bij het voortzetten van de overeenkomsten wist of behoorde te begrijpen dat de betalingsverplichtingen niet nagekomen konden worden en H Bouw geen verhaal zou bieden voor de schade.

Dit verwijt valt onder de zogenaamde Beklamel-norm (categorie (i)), aldus S.

Appellant wordt verder verweten dat hij als bestuurder van H Bouw S de werkzaamheden heeft laten voortzetten terwijl hij wist van de betalingsproblemen met D, hiervan geen mededeling heeft gedaan aan S en vervolgens het wel van D ontvangen geld niet heeft aangewend om de facturen van S te betalen.

Bij dit alles is ook nog geld aan de vennootschap onttrokken.

Dit verwijt valt onder categorie (ii), aldus de advocaat van S.

Het hof zal de verwijten hieronder afzonderlijk beoordelen.

Bij de beoordeling kan van het volgende worden uitgegaan.

In de loop van 2011 begonnen de betalingen van D aan H Bouw te haperen en zijn uiteindelijk gestokt.

De betalingen van H Bouw aan S zijn in november 2011 gestaakt.

In de tussenliggende periode voldeed H Bouw aan haar betalingsverplichtingen door onder andere aanspraak te maken op haar reserves.

De openstaande facturen van S hebben betrekking op de periode 23 november 2011 – 13 februari 2012.

De openstaande facturen van D hebben betrekking op de periode 5 december 2011 – 20 december 2011 en op de periode 20 januari 2012 – 6 juli 2012.

In laatstgenoemde periode is door D meerwerk verricht. In januari 2012 is een betaling door D aan H Bouw gedaan van € 720.000,- en in maart 2012 is nog een betaling door D aan H Bouw gedaan van € 600.000,-.

Beklamel-norm (schijn van kredietwaardigheid)

De maatstaf hierbij is of appellant bij het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat H Bouw niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de schade.

Voor de beoordeling is het moment van het aangaan van de overeenkomst van belang.

Dat is het peilmoment.

De overeenkomsten met S en D, zoals door appellant onbetwist is gesteld, in de loop van 2009 aangegaan.

S heeft op geen enkele wijze aan de hand van feiten en omstandigheden onderbouwd dat appellant als bestuurder van H Bouw toen wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat H Bouw niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomsten met S zou kunnen voldoen.

S heeft dan ook niet aan de op hen rustende stelplicht voldaan.

Voor zover S in dit kader heeft gesteld dat appellant S de werkzaamheden heeft laten voortzetten terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de bijbehorende betalingsverplichtingen niet konden worden nagekomen (daarmee waarschijnlijk doelend op het feit dat D vanaf juni 2011 niet meer betaalde), oordeelt het hof dat deze omstandigheid meegenomen dient te worden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een aansprakelijkheidssituatie als bedoeld onder categorie (ii). Categorie (i) ziet immers uitsluitend op de situatie ten tijde van het aangaan van de overeenkomst terwijl categorie (ii) ook ziet op de situatie na het aangaan van de overeenkomst.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid over het ondernemingsrecht, over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat bestuurdersaansprakelijkheid op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het ondernemingsrecht of over bestuurdersaansprakelijkheid, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.