De Rechtbank Rotterdam heeft op 21 oktober 2020 uitspraak gedaan over de vraag of het bestuur van een vennootschap rekening en verantwoording diende af te leggen aan de aandeelhouders.

Eisers vorderen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

– voor recht te verklaren dat gedaagde in de hoedanigheid van bestuurder van de Beheermaatschappij onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers, zowel in hun hoedanigheid van mede-erfgenamen in de nalatenschap van A, overleden op 19 maart 1999 als aandeelhouders in de Beheermaatschappij;

– gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de door eisers geleden en te lijden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

– gedaagde te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen van het beheer in en het bestuur van de Beheermaatschappij vanaf 20 juni 2000, zijnde de datum van zijn aantreden als bestuurder van de Beheermaatschappij, zulks onderbouwd met deugdelijke stukken die voldoende inzicht bieden, onder meer doch niet beperkt tot de door hem verrichte beschikkingshandelingen namens de Beheermaatschappij.

Bestuurdersaansprakelijkheid. Aansprakelijkheid jegens aandeelhouders en erfgenamen? Onbehoorlijk bestuur? Dient het bestuur rekening en verantwoording af te leggen aan de aandeelhouders?

De rechter oordeelt als volgt.

Eisers zijn van mening dat gedaagde jegens hen aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad, welke aansprakelijkheid voortvloeit uit zijn handelen (of nalaten) als bestuurder van de Beheermaatschappij.

Zij stellen dat sprake is van onbehoorlijk bestuur met betrekking tot het gevoerde beleid in de Beheermaatschappij, onder meer omdat zij jarenlang niet zijn geïnformeerd over het reilen en zeilen van de Beheermaatschappij, de jaarstukken van de vennootschap niet zijn gedeponeerd en de jaarstukken van de Beheermaatschappij sinds het aantreden van gedaagde als bestuurder nooit door de algemene vergadering van aandeelhouders zijn goedgekeurd.

Door de onbehoorlijke taakvervulling van gedaagde is het vermogen van de Beheermaatschappij verdampt en valt hem persoonlijk een ernstig verwijt te maken, aldus de advocaat van eisers.
Eisers stellen voorts dat zij er belang bij hebben dat gedaagde rekening en verantwoording aflegt ten aanzien van het gevoerde beheer aangezien zij hierover nooit zijn geïnformeerd.

Gedaagde heeft betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers en dat hij jegens hen gehouden is tot het afleggen van nadere rekening en verantwoording.

De rechtbank stelt voorop dat de vraag of gedaagde op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens eisers moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 2:9 BW, die geldt voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon die door hem wordt bestuurd (Hoge Raad, 20 juni 2008, NJ 2009, 21, NOM/Willemsen, HR:2008:BC4959).

Dit betekent dat in onderhavig geval dezelfde hoge drempel geldt voor het aannemen van een uit onrechtmatige daad voortvloeiende aansprakelijkheid aan de zijde van gedaagde en dat aan hem een ernstig verwijt moet kunnen worden gemaakt.

Eisers moeten daarvoor voldoende concrete feiten en omstandigheden stellen en (bij een gemotiveerde betwisting) voldoende onderbouwen.

De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aan deze stelplicht hebben voldaan.

De stellingen van eisers zijn deels feitelijk onjuist.

Er zijn jaarrekeningen van de Beheermaatschappij opgemaakt en eisers zijn hierover op de vergaderingen van aandeelhouders geïnformeerd.

Gedaagde heeft notulen van de vergaderingen van aandeelhouders van de Beheermaatschappij in de periode van 2011 tot en met 2019 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat eisers aanwezig zijn geweest op de algemene vergaderingen van aandeelhouders en dat de jaarrekeningen op die vergaderingen zijn besproken.

Voorts blijkt uit die stukken dat de jaarrekeningen van de periode 2006 tot en met 2010 zijn goedgekeurd en dat over die jaren decharge is verleend.

In de periode na 2010 is binnen de algemene vergadering van aandeelhouders een patstelling ontstaan waarna de jaarstukken niet meer zijn goedgekeurd en ook geen decharge is verleend.

Uit de gang van zaken na 2010 volgen naar het oordeel van de rechtbank geen feiten of omstandigheden die een ernstig verwijt aan de zijde van gedaagde opleveren.

Indien eisers van mening zijn dat aan de door gedaagde overgelegde stukken geen betekenis toekomt, hadden zij dat moeten stellen en onderbouwen.

Dat hebben zij niet gedaan.

De op de mondelinge behandeling ingenomen stelling zijdens eisers dat de notulen van 2011, 2012 en 2013 niet zijn ondertekend, is daarvoor onvoldoende, reeds omdat hiermee niet is weersproken dat eisers algemene vergaderingen van aandeelhouders hebben bijgewoond en dat er wel degelijk jaarstukken op die vergaderingen zijn goedgekeurd, namelijk tot en met 2010.

Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank aldus te weinig ingebracht tegen de gemotiveerde betwisting van gedaagde.

Dat in het verleden meerdere jaarstukken niet tijdig zijn gedeponeerd, maakt niet dat sprake is van onrechtmatig handelen van gedaagde als bestuurder jegens eisers als aandeelhouders.

Het bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW, waarop eisers een beroep hebben gedaan, is in deze situatie niet van toepassing omdat dit artikel specifiek ziet op de situatie waarin een vennootschap failliet is verklaard.

Van een faillissement van de Beheermaatschappij is thans geen sprake.

Voor zover eisers hebben bedoeld aan te voeren dat het bepaalde in artikel 2:248 BW analoog moet worden toegepast, is de rechtbank van oordeel dat daarvoor geen aanleiding bestaat omdat een faillissement (waarin de curator op grond van het artikel soms een vordering kan instellen tegen een bestuurder) een wezenlijk andere situatie betreft dan het onderhavige geval (waarin geen sprake is van een faillissement en medeaandeelhouders een vordering uit onrechtmatige daad instellen tegen een bestuurder).

Uit de verdere stellingen van eisers volgt evenmin welk concreet onrechtmatig handelen of nalaten van gedaagde tot welke schade aan de zijde van eisers heeft geleid en waarin het ernstig verwijt is gelegen dat gedaagde hiervan kan worden gemaakt.

Gelet op het voorgaande is de gevorderde verklaring van recht niet toewijsbaar en daarom bestaat ook geen aanleiding voor verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Het door gedaagde gedane beroep op verjaring behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.

De vordering om gedaagde te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen van het beheer in en het bestuur van de Beheermaatschappij vanaf 20 juni 2000 kan evenmin worden toegewezen.

Het bestuur dient in beginsel verantwoording af te leggen aan de algemene vergadering van aandeelhouders.

Gedaagde heeft agenda’s en notulen van aandeelhoudersvergaderingen van de Beheermaatschappij uit de periode van 2011 tot en met 2019 in het geding gebracht, waaruit blijkt dat eisers van het plaatsvinden van die vergaderingen op de hoogte zijn gesteld en dat eisers die vergaderingen hebben bijgewoond.

Eisers hebben voorts niet gesteld of onderbouwd dat gedaagde desgevraagd heeft geweigerd om relevante informatie aan hen te verstrekken.

Het standpunt van eisers dat gedaagde hen nooit op de hoogte heeft gehouden van het reilen en zeilen van de Beheermaatschappij acht de rechtbank gelet op het voorgaande onjuist.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat aandeelhouder over het ondernemingsrecht, of over het contractenrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders of over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, belt u dan gerust onze advocaat aandeelhouder op 020-3980150.

Wilt u meer weten over het vennootschapsrecht of het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.