De A-G bij Parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden de vaststelling van het vrij te laten bedrag bij het leggen beslag besproken.
Vaststelling van het vrij te laten bedrag (art. 295 Fw). Beslagvrije voet (art. 475d Rv).
Beslagrecht. Vaststelling van de beslagvrije voet. Vaststelling van het vrij te laten bedrag. Berekening van de beslagvrije voet.
De beslagvrije voet en het nominale bedrag worden tezamen het ‘vrij te laten bedrag’ (vtlb) genoemd.
Het vtlb wordt berekend aan de hand van de meest recente versie van de door de Werkgroep rekenmethode van Recofa ontwikkelde rekenmethode.
Met behulp van de vtlb-calculator kan het bedrag worden berekend.
De R-C dient dus eerst de beslagvrije voet te bepalen en kan deze eventueel verhogen met een nominaal bedrag.
De hoogte van de beslagvrije voet hangt af, kort gezegd, van de leefsituatie van de schuldenaar.
In art. 475d lid 1 Rv wordt onderscheid gemaakt tussen echtgenoten en geregistreerde partners (onder a), alleenstaanden en alleenstaande ouders (onder b) en alleenstaanden of alleenstaande ouders die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (onder c).
De nadere invulling van deze categorieën is te vinden in art. 3 en 4 van de Participatiewet.
De hoogte van de beslagvrije voet bedraagt 90% van het bedrag waarop ingevolge de Participatiewet aanspraak gemaakt zou kunnen worden (de bijstandsnorm).
Voor de vaststelling van de beslagvrije voet is van belang dat de schuldenaar de beslagleggende partij van informatie voorziet.
Dat gebeurt vaak niet of niet volledig, waardoor de beslagvrije voet in veel gevallen te laag wordt vastgesteld.
Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt beoogd de systematiek van de vaststelling van de beslagvrije voet transparanter en eenvoudiger te maken, en minder afhankelijk van de individuele omstandigheden van de beslagene.
In de nieuwe regeling wordt de beslagvrije voet vastgesteld op basis van gegevens die uit bestaande registraties te halen zijn, zodat de schuldenaar in beginsel geen informatie meer hoeft aan te leveren.
Verder bevat de wet een regeling voor de situatie waarin sprake is van meerdere beslagleggers.
De inwerkingtreding van de wet heeft vanwege uitvoeringsproblemen vertraging opgelopen.
De geplande datum van inwerkingtreding is thans bepaald op 1 januari 2021.
Tot 1 januari 2020 was de hoogte van de beslagvrije voet tevens afhankelijk van de leeftijd van de schuldenaar, in die zin dat voor jongvolwassenen (18 tot en met 20 jaar) werd aangesloten bij de specifieke jongerennorm binnen de Participatiewet.
Deze norm is relatief laag, omdat wordt uitgegaan van een bijdrage van de ouders in het levensonderhoud van de jongere.
Dit leidde echter tot een relatief lage beslagvrije voet voor jongeren, terwijl een deel van deze categorie niet meer bij de ouders woont of niet op de ouders kan terugvallen.
In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is er daarom voor gekozen om bij de vaststelling van de beslagvrije voet voor jongeren aan te sluiten van de bijstandsnorm voor 21-jaren en ouder.
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze wet is deze wijziging per 1 januari 2020 in art. 475d Rv ingevoerd.
Voorts is met ingang van 1 januari 2020 een wijziging doorgevoerd met betrekking tot de beslagvrije voet van personen die in een inrichting verblijven.
De op basis van art. 475 lid 1 Rv toepasselijke beslagvrije voet wordt op grond van het derde lid verhoogd met drie onder a tot en met c omschreven kostenposten.
Het derde lid luidt:
De beslagvrije voet wordt verhoogd met:
de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering, verminderd met de normpremie, bedoeld in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag, voor zover reeds begrepen in de bijstandsnorm zoals die voor de schuldenaar geldt ingevolge het eerste, tweede en derde lid, en met de krachtens die wet ontvangen zorgtoeslag, telkens wanneer deze premie vervalt terwijl het beslag ligt;
de voor rekening van de schuldenaar komende woonkosten, verminderd met ontvangen huurtoeslag of woonkostentoeslag, voor zover de woonkosten, na deze vermindering, meer bedragen dan het bedrag, genoemd in artikel 17, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag, met dien verstande dat de verhoging van de beslagvrije voet niet meer bedraagt dan het huurtoeslagbedrag waarop de schuldenaar, uitgaande van de laagste inkomenscategorie, krachtens artikel 21 van de Wet op de huurtoeslag ten hoogste aanspraak heeft;
het bedrag waarop de schuldenaar op basis van artikel 2, tweede tot en met zesde lid van de Wet op het kindgebonden budget maximaal aanspraak zou kunnen maken, verminderd met het krachtens die wet ontvangen bedrag.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat contractenrecht over het overeenkomstenrecht, het beslagrecht, het ondernemingsrecht, over bestuurdersaansprakelijkheid, over aandeelhouders of over de uitstoting of uitkoop van aandeelhouders, over de geschillenregeling in het vennootschapsrecht, of over een bedrijfsovername, belt u dan gerust onze advocaat contractenrecht op 020-3980150.
Wilt u meer weten over het contractenrecht, over het beslagrecht, of over het ondernemingsrecht, bezoek dan onze website over het ondernemingsrecht. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.